Mijn ouders hebben schenkingen gedaan, welke invloed heeft dat op de erfenis?

Mijn ouders hebben schenkingen gedaan, welke invloed heeft dat op de erfenis?

Giften kunnen op twee gronden een rol spelen bij de afwikkeling van nalatenschappen, namelijk op grond van inbreng en op grond van de legitieme.

 

Ouders voelen vaak de morele plicht om hun kinderen gelijk te behandelen en ook de kinderen zelf ervaren dat vaak als een vanzelfsprekendheid. Toch  is er geen wettelijke verplichting op grond waarvan ouders verplicht zijn om hun kinderen gelijk te bedelen en/of aan alle kinderen evenveel na te laten. Er kunnen daarom door allerlei redenen een verschillen ontstaan tussen wat het ene en het andere kind van vader en moeder heeft gekregen.

Inbreng

Eens gegeven blijft gegeven is sinds 2003 het wettelijke uitgangspunt. Voor 2003 was dat anders en was inbreng de hoofdregel.

Inbreng betekent dat de gedane gift moet worden beschouwd als een voorschot op de erfenis. Bij de verdeling wordt daarom de gift als het ware afgetrokken van het erfdeel van de ontvanger.

De regeling van inbreng heeft echter een beperkte betekenis. Alleen giften die zijn gedaan aan afstammelingen (kinderen) hoeven te worden ingebracht. Met de invoering van het nieuwe erfrecht is inbreng bovendien alleen nog verplicht als dit uitdrukkelijk door de gever voorgeschreven is. Bovendien gaat inbreng niet zover dat de begiftigde partij daadwerkelijk geld terug in de boedel moet brengen, diens erfdeel wordt hooguit teruggebracht tot nihil.

Alleen giften die zijn gedaan vóór inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht vallen nog onder het oude regime. Schenkingen van voor 1 januari 2003 dienen te worden ingebracht, tenzij reeds bij die schenking de inbrengverplichting werd uitgesloten of tenzij er geen inbrengverplichting bestaat op grond van een testamentaire regeling.

Inbreng heeft daarom in de huidige praktijk nog maar een beperkte betekenis.

Dus ook als het ene kind meer schenkingen heeft gehad dan het andere, hoeft dat niet te worden verrekend bij het verdelen van de erfenis. Toch is er wel een wettelijke ondergrens aan deze ongelijkheid, en dat is het recht op de legitieme.

Legitieme portie

Ieder kind heeft recht op een minimum erfdeel als het gaat om de nalatenschap van diens ouders, de zogenaamde legitieme portie. De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van uw ouders waar een kind altijd recht op heeft, ongeacht de inhoud van het testament en in weerwil van gedane giften.

Als giften dusdanig groot zijn dat uw erfdeel daardoor lager uitvalt dan de legitieme, moet uw erfdeel worden aangevuld tot de legitieme. Eventueel kan de gedane gift worden ingekort, de ontvanger van de gift moet dan een deel van gift teruggeven.

 

 

 

 


Gerechtshof Den Haag.
Datum uitspraak 24-05-2016
Datum publicatie 03-06-2016
Zaaknummer 200.171.269/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie:

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.

Rechtspraak.nl


Zie voor nadere informatie de onderwerpen over legitieme portie.

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch?

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch?

Schenkingen tussen ouders en kinderen zijn de normaalste zaak van de wereld.  Onder het motto: “beter met de warme dan met de koude hand” bieden ouders hun kinderen vaak financiële ondersteuning.

Toch zijn er situaties waarin deze vrijgevigheid een ongemakkelijk gevoel oplevert. Berichten over financieel ouderenmisbruik zijn aan de orde van de dag. Naar schatting waren er in 2009 ongeveer 30.000 ouderen slachtoffer van financieel misbruik. De meeste daders behoren tot de familiekring van het slachtoffer.

Bewijslast

Als het gaat om schenkingen is vaak het motto: “eens gegeven blijft gegeven”, maar wat als een schenking tegen de zin van de gever tot stand is gekomen? Of een geldbedrag al dan niet vrijwillig is afgestaan door de gever zal vaak ontaarden in een welles-nietes discussie, vaak ook omdat dergelijke afspraken in besloten kring worden gemaakt en er niets over op papier wordt gezet.

Daarmee ontstaat vaak een bewijsprobleem, want degene die moet aantonen of er wel of geen schenkingsafspraak is gemaakt zal dat vaak niet kunnen aantonen. Als bijvoorbeeld de schenkende partij het geschonken bedrag terug wil vorderen, zal de schenker moeten aantonen dat de schenkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is.

Misbruik van omstandigheden

Maar de wet komt degene die slachtoffer is geworden van misbruik van omstandigheden te hulp en geeft een bijzondere bewijslastverdeling bij dit soort discussies. Op het moment dat een schenking tot stand is gekomen op basis van misbruik van omstandigheden, is het aan de ontvangende partij om te bewijzen dat dit niet het geval is geweest.

Niet alle bewijsproblemen omtrent schenkingen kunnen op deze manier worden opgelost. Soms komt pas na het overlijden van vader of moeder aan het licht dat er geld is verdwenen, zoals in de navolgende zaak waar mr. W.S. Santema bij was betrokken.

Uitspraak Hof Den Haag 24 mei 2016

Na het overlijden van haar moeder kreeg  de dochter het gevoel dat er iets niet klopte.

Er bleek veel minder spaargeld te zijn dan er volgens haar zou moeten zijn.  Na lang aandringen bleek dat twee broers in de dagen voor het overlijden van moeder een groot deel van het spaargeld hadden opgenomen. De broers stelden zich op het standpunt dat moeder dit geld aan hen had geschonken. Enig bewijs voor deze schenking konden zij niet leveren – maar ook de dochter kon andersom niet aantonen dat het niet zo was gegaan.

Er ontstond een juridische strijd over wie van de partijen nu eigenlijk moet aantonen dat er wel of geen schenking was gedaan door moeder op haar sterfbed. De rechtbank vond dat het aan de dochter was om aan te tonen dat er geen sprake was van een schenking.

In hoger beroep besliste het Hof dat de broers het bewijs moesten leveren dat er sprake was van een schenking. Omdat dit bewijs niet kon worden geleverd, moest het geld terug in de erfenis worden gebracht.

 

 

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch? En de gehele uitspraak op pdf  → klik hier

 

 

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
200.171.269/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.171.269/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/446105/HA ZA 13-749

arrest van 24 mei 2016

inzake

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: mr. W.S. Santema te Sneek,

tegen

1. [de stiefzoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde sub 1,

advocaat: mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer,

2. [zoon een] ,

wonende te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr M.P.J. Frederiks te Woerden,

hierna tezamen ook: geïntimeerden.

Het geding

Bij exploot van 2 juni 2015 is [de dochter] in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de rechtbank Den Haag op 18 december 2013, 21 mei 2014, 12 november 2014 en 8 april 2015 tussen:

  • appellante als eiseres in conventie en gedaagde in de door geïntimeerde 2 ingestelde voorwaardelijke reconventie,
  • geïntimeerde sub 1 als gedaagde,
  • geïntimeerde sub 2 als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie en

– [zoon twee] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen gedaagde, tegen wie verstek is verleend, hierna: gedaagde in eerste aanleg sub 3,

gewezen, hierna aan te duiden als: de bestreden vonnissen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank Den Haag daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld

Bij memorie van grieven, tevens akte van wijziging eis, heeft appellante vier grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 2 de grieven alsmede de wijziging van eis bestreden.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 1 de grieven alsmede de wijziging van eis eveneens bestreden.

Partijen hebben arrest gevraagd en ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het vonnis van 21 mei 2014 zijn vastgesteld.

2. Bij het (eind)vonnis van 8 april 2015:

  • is bepaald dat de resterende legitieme vordering van appellante € 2.721,16 bedraagt;
  • is bepaald dat deze resterende legitieme vordering uit de nalatenschap van [de moeder] (hierna: erflaatster) moet worden voldaan;
  • is de nalatenschap van erflaatster als volgt verdeeld:

– aan geïntimeerde sub 1 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27

– aan geïntimeerde sub 2 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27

– aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27;

– zijn geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) veroordeeld ervoor zorg te dragen dat aan appellante het bedrag van € 2.721,16 ter zake van haar resterende legitieme vordering wordt betaald.

Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Voorts is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar louter ten behoeve van gedaagde in eerste aanleg sub 3 ingestelde vorderingen.

De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. Appellante vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gewezen bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw recht doende, zulks met aanvulling en/of verbetering van gronden, de vorderingen van appellante alsnog toewijst en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en de wijze van verdeling vaststelt, en daarbij bepaalt dat:

geïntimeerden hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan de boedel van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen ad totaal € 14.720,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

  • het in totaal tussen de erfgenamen te verdelen bedrag in contanten daarmee
    € 24.329,99 zal bedragen, waartoe iedere deelgenoot tot een gelijk deel ad
    € 6.082,50 gerechtigd is, te vermeerderen met ieder 1/4e deel van de door geïntimeerden verschuldigde wettelijke rente;
  • geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk te veroordelen (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,

 

indien de rechtbank, het hof begrijpt: het hof, van oordeel mocht zijn dat de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen als een schenking of een gift moeten worden beschouwd, vordert appellante verdeling van de nalatenschap met een (aanvullend) beroep op haar legitieme. Appellante verzoekt het hof, het hof begrijpt: vordert, de verdeling van de nalatenschap van erflaatster in goede justitie vast te stellen, en daarbij

– de legitieme van appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 op basis van:

– het saldo van de ervenrekening en contanten ad € 9.609,99

– de door geïntimeerden opgenomen bedragen ad totaal € 14.720,-

– de door appellante ontvangen ring ad € 1.600,-

– de waarde van de door geïntimeerden behouden sieraden, bestaande uit een gouden slavenarmband met briljanten, gouden oorknopjes met bloedkoralen, een gouden ring met bloedkoralen (passend bij de oorbellen), een gouden halsketting met hanger en een gouden horloge, waarvan de waarde alsdan middels een door het hof aan te wijzen taxateur zal worden vastgesteld;

– geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) te veroordelen om zorg te dragen voor betaling van de bedragen die verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 en – indien blijkt dat de legitieme porties niet (volledig) kunnen worden voldaan uit de in de boedel aanwezige contanten en tegoeden – hen hoofdelijk te veroordelen om op basis van inkorting het restant te voldoen aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,

zowel primair als subsidiair

geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.

4. Geïntimeerde sub 2 concludeert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar grieven en vorderingen af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden vonnissen en appellante te veroordelen in de kosten van beide instanties, dan wel de procedure in hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag der voldoening, alsmede met veroordeling van appellante in de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van het arrest plaatsvindt, ad € 199,- en de eventuele verdere executiekosten.

Indien en voor zover het hof redenen mocht zien de (resterende) legitieme vordering van appellante opnieuw vast te stellen verzoekt, het hof begrijpt: vordert, geïntimeerde sub 2 dat het hof hierbij rekening houdt met het huidig batig saldo van de nalatenschap ad € 9.579,56.

5. Geïntimeerde sub 1 concludeert te bekrachtigen de vonnissen waarvan beroep en appellante te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Het geschil

6. In geschil zijn de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en het aanvullend beroep van appellante op haar legitieme portie.

Achtergrond

7. Appellante, geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn kinderen van erflaatster. Geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn broers van appellante. Geïntimeerde sub 1 is de zoon van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster. Erflaatster heeft bij testament haar kinderen en de zoon van haar echtgenoot benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel van haar nalatenschap. Tevens is in het testament bepaald dat de afstammelingen van erflaatster zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng van giften in haar nalatenschap, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald.

8. Kort voor het overlijden van erflaatster op 22 maart 2011, heeft geïntimeerde sub 2 op verschillende tijdstippen op 18 maart en 21 maart 2011 een bedrag van in totaal € 14.720,- opgenomen met de pinpas van erflaatster. Volgens geïntimeerden – die in haar laatste levensjaren voor erflaatster hebben gezorgd – heeft erflaatster daarna ieder van hen afzonderlijk bij zich geroepen om vervolgens ieder de helft van het opgenomen geld te overhandigen wegens de door geïntimeerden aan haar bewezen diensten. Appellante is van mening dat de gelden zonder recht of titel zijn opgenomen en dat deze derhalve aan de nalatenschap moeten worden vergoed. Vlak voor haar overlijden heeft erflaatster appellante een gouden ring met briljant geschonken.

Opgenomen gelden een gift?

9. Appellante is het er niet mee eens dat de rechtbank haar primaire vordering tot verdeling van de nalatenschap, waartoe volgens appellante ook de door geïntimeerden opgenomen gelden behoren, heeft afgewezen omdat appellante niet zou hebben bewezen dat geïntimeerden deze gelden onrechtmatig aan de boedel zouden hebben onttrokken.

10. Volgens appellante hebben geïntimeerden, door te stellen dat ter zake de gelden sprake is van een schenking van erflaatster aan hen, een zelfstandig of bevrijdend verweer gevoerd, zodat de bewijslast op hen hoort te rusten. Nu geïntimeerden niet kunnen aantonen dat de desbetreffende bedragen – per persoon € 7.360,- – aan hen zijn geschonken, betekent dit dat zij de gelden zonder recht of titel tot zich hebben genomen. Zij zijn derhalve gehouden deze bedragen aan de boedel terug te betalen.

11. Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

12. Het hof is van oordeel dat de grief van appellante slaagt. Immers, vaststaat dat geïntimeerden, althans geïntimeerde sub 2 het bedrag van in totaal € 14.720,- heeft opgenomen en dat de gelden uiteindelijk in het bezit van geïntimeerden zijn gekomen, ieder een bedrag van € 7.360,-. In zoverre verschilt de onderhavige casuspositie van die waarop de door de rechtbank in haar vonnis van 21 mei 2014 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en conclusie van de A-G betrekking had. Het ging daar om een gemotiveerde betwisting van de gestelde toe-eigening van de opgenomen gelden. Geïntimeerden daarentegen erkennen dat zij ieder de helft van de opgenomen gelden in hun bezit hebben. Zij stellen echter dat erflaatster ieder van hen dat geld geschonken heeft, zodat sprake is van een gift, welke op grond van het testament van erflaatster niet in de nalatenschap hoeft te worden ingebracht. Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een zelfstandig of bevrijdend verweer (een ‘ja… maar’ verweer) waarbij de bewijslast op geïntimeerden komt te rusten.

13. Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde sub 1 heeft in het geheel geen bewijsaanbod van de door hem gestelde titel (gift) gedaan en geïntimeerde sub 2 slechts een algemeen, niet specifiek bewijsaanbod. Nu het bewijsaanbod niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gaat het hof hieraan voorbij. Dit brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat geen sprake is geweest van een gift van erflaatster aan geïntimeerden en dat geïntimeerden zich de gelden zonder recht of titel, derhalve onrechtmatig, tijdens haar leven hebben toegeëigend en deze gelden bij wege van schadevergoeding in geld aan de gezamenlijke erfgenamen (de nalatenschap) moeten vergoeden.

Wijziging van eis

14. Appellante heeft in hoger beroep haar primaire vordering gewijzigd in die zin dat zij thans naast terugstorting van het bedrag van € 14.720,- in de nalatenschap van erflaatster tevens vergoeding van de wettelijke rente over dat bedrag vordert vanaf 22 maart 2011, de overlijdensdatum van erflaatster. Dit omdat sprake is geweest van een onrechtmatige daad aan de zijde van geïntimeerden.

15. Geïntimeerde sub 2 heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de primaire vordering.

16. Het hof stelt vast dat appellante haar eiswijziging in de memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging. Het hof is voorts van oordeel dat geïntimeerden voldoende in de gelegenheid zijn geweest zich tegen de gewijzigde vorderingen te verweren, omdat zij in hun memories van antwoord op de stellingen van appellante hebben kunnen reageren. Gelet op het vorenstaande is de wijziging van de primaire vordering van appellante naar het oordeel van het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal in het navolgende derhalve overgaan tot beoordeling van die gewijzigde primaire vordering.

17. Zoals hierboven onder rechtsoverweging 13 reeds is overwogen, is het zich zonder recht of titel toe-eigenen van de opgenomen gelden door geïntimeerden een onrechtmatige daad. Op grond van artikel 6:119 BW juncto artikel 6:83 letter b BW gaat de verschuldigde wettelijke rente dan lopen vanaf het moment dat de schadevergoedingsverbintenis opeisbaar is geworden, in casu met ingang van de datum waarop geïntimeerden zich de gelden onrechtmatig hebben toegeëigend. Nu appellante rente vordert met ingang van 22 maart 2011, de sterfdatum van erflaatster en deze datum is gelegen na de gestelde datum van de opname van gelden met de pinpas, zal het hof zich daarbij aansluiten.

De gevorderde verdeling

18. Appellante vordert verdeling van de nalatenschap van erflaatster en vaststelling van de wijze van verdeling. Het hof begrijpt dat zij hiermee een beroep doet op artikel 3:185 BW, welk artikel de mogelijkheid biedt een verdeling door de rechter te vorderen, in het geval dat deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen geraken over de verdeling.

19. Gelet op de processtukken, is tussen partijen in confesso dat de te verdelen nalatenschap in ieder geval bestaat uit een banktegoed en contant geld, in totaal
€ 9.609,99. Op grond van hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 13 en 17 is overwogen, dient dit bedrag nog te worden verhoogd met de opgenomen gelden van in totaal € 14.720,-, alsmede met de wettelijk rente daarover met ingang van 22 maart 2011.

20. Nu de nalatenschap eenvoudig te verdelen goederen betreft, is het hof van oordeel dat het hof de verdeling van de nalatenschap van erflaatster kan vaststellen, ondanks het feit dat gedaagde in eerste aanleg sub 3 door appellante niet in dit hoger beroep is betrokken.

21. Naar het oordeel van het hof heeft het verdelingsgeschil een processueel ondeelbare rechtsverhouding tot voorwerp. Gedaagde in eerste aanleg sub 3 is immers ook in die rechtsverhouding betrokken. De beslissing ten aanzien van de procespartijen in hoger beroep mag niet afwijken van die ten opzichte van de gedaagde in eerste aanleg sub 3. Volgens vaste rechtspraak moet de appelrechter in het geval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding ambtshalve oordelen dat zijn uitspraak mede gelding heeft ten gunste van een van de betrokken partijen uit de eerste aanleg die niet zelf heeft geappelleerd.

22. Het hof zal – met inachtneming van het vorenstaande en de vorderingen van appellante ter zake – de nalatenschap van erflaatster verdelen als hieronder in het dictum is weergegeven.

23. Nu het hof oordeelt dat aan de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen niet de rechtsgrond gift ten grondslag heeft gelegen of een andere titel, komt het hof niet toe aan de (voorwaardelijke) subsidiaire vordering van appellante. De grieven die – zoals toegelicht -daarop betrekking hebben kunnen derhalve onbesproken blijven.

Proceskosten

24. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak, zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg terecht zijn gecompenseerd. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

25. Dit alles leidt tot de volgende beslissing, waarbij het hof de bestreden vonnissen om proceseconomische redenen geheel zal vernietigen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot terugbetaling ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen aan de nalatenschap van erflaatster van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen van in totaal € 14.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

verdeelt de nalatenschap van erflaatster als volgt:

  • deelt toe aan appellante een bedrag van € 6.082,49 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • deelt toe aan geïntimeerde sub 1 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • deelt toe aan geïntimeerde sub 2 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • deelt toe aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;

veroordeelt geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.