Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch?

icoon erfrecht logo

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking.
Hoe zit dat juridisch?

Schenkingen tussen ouders en kinderen zijn de normaalste zaak van de wereld.  Onder het motto: “beter met de warme dan met de koude hand” bieden ouders hun kinderen vaak financiële ondersteuning.

Toch zijn er situaties waarin deze vrijgevigheid een ongemakkelijk gevoel oplevert. Berichten over financieel ouderenmisbruik zijn aan de orde van de dag. Naar schatting waren er in 2009 ongeveer 30.000 ouderen slachtoffer van financieel misbruik. De meeste daders behoren tot de familiekring van het slachtoffer.

Bewijslast

Als het gaat om schenkingen is vaak het motto: “eens gegeven blijft gegeven”, maar wat als een schenking tegen de zin van de gever tot stand is gekomen? Of een geldbedrag al dan niet vrijwillig is afgestaan door de gever zal vaak ontaarden in een welles-nietes discussie, vaak ook omdat dergelijke afspraken in besloten kring worden gemaakt en er niets over op papier wordt gezet.

Daarmee ontstaat vaak een bewijsprobleem, want degene die moet aantonen of er wel of geen schenkingsafspraak is gemaakt zal dat vaak niet kunnen aantonen. Als bijvoorbeeld de schenkende partij het geschonken bedrag terug wil vorderen, zal de schenker moeten aantonen dat de schenkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is.

Misbruik van omstandigheden

Maar de wet komt degene die slachtoffer is geworden van misbruik van omstandigheden te hulp en geeft een bijzondere bewijslastverdeling bij dit soort discussies. Op het moment dat een schenking tot stand is gekomen op basis van misbruik van omstandigheden, is het aan de ontvangende partij om te bewijzen dat dit niet het geval is geweest.

Niet alle bewijsproblemen omtrent schenkingen kunnen op deze manier worden opgelost. Soms komt pas na het overlijden van vader of moeder aan het licht dat er geld is verdwenen, zoals in de navolgende zaak waar mr. W.S. Santema bij was betrokken.

Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?

A Erfrecht Santema Advocatuur logo contact info@santema-advocatuur.nl

SANTEMA ADVOCATUUR
Gespecialiseerd in Erfrecht

Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?
Neem gerust contact op.

Openingstijden kantoor:
maandag tot en met vrijdag
van 8.30 – 17.30 uur

Singel 43 8601
AH Sneek

Contact Santema Erfrecht Advocatuur
Telefoonnummer Erfrechttelefoon
e-Mail
icoon afbeelding


Uitspraak Hof Den Haag

Rechtsgeldigheid

Na het overlijden van haar moeder kreeg  de dochter het gevoel dat er iets niet klopte.

Er bleek veel minder spaargeld te zijn dan er volgens haar zou moeten zijn.  Na lang aandringen bleek dat twee broers in de dagen voor het overlijden van moeder een groot deel van het spaargeld hadden opgenomen. De broers stelden zich op het standpunt dat moeder dit geld aan hen had geschonken. Enig bewijs voor deze schenking konden zij niet leveren – maar ook de dochter kon andersom niet aantonen dat het niet zo was gegaan. Er ontstond een juridische strijd over wie van de partijen nu eigenlijk moet aantonen dat er wel of geen schenking was gedaan door moeder op haar sterfbed. De rechtbank vond dat het aan de dochter was om aan te tonen dat er geen sprake was van een schenking.

In hoger beroep besliste het Hof dat de broers het bewijs moesten leveren dat er sprake was van een schenking. Omdat dit bewijs niet kon worden geleverd, moest het geld terug in de erfenis worden gebracht.

Rechtsgeldigheid schenking
Bijlage Uitspraak Hof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2016:1575
Permanente link:
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2016:1575
Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak24-05-2016Datum publicatie 03-06-2016
Zaaknummer200.171.269/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja..
maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap).
Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.
Uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.171.269/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/446105/HA ZA 13-749
arrest van 24 mei 2016
inzake [de dochter] , wonende te [woonplaats] ,
appellante, hierna te noemen: appellante, advocaat: mr. W.S. Santema te Sneek, tegen

[de stiefzoon] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde,
hierna te noemen: geïntimeerde sub 1,
advocaat: mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer,
[zoon een] ,
wonende te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven, geïntimeerde, hierna te noemen: geïntimeerde sub 2, advocaat: mr M.P.J. Frederiks te Woerden,
hierna tezamen ook: geïntimeerden.
Het geding Bij exploot van 2 juni 2015 is [de dochter] in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de rechtbank Den Haag op 18 december 2013, 21 mei 2014, 12 november 2014 en 8 april 2015 tussen:
appellante als eiseres in conventie en gedaagde in de door geïntimeerde 2 ingestelde
voorwaardelijke reconventie,
geïntimeerde sub 1 als gedaagde,
geïntimeerde sub 2 als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie en

[zoon twee] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen gedaagde, tegen wie verstek is verleend,
hierna: gedaagde in eerste aanleg sub 3,
gewezen, hierna aan te duiden als: de bestreden vonnissen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank Den Haag
daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld

  • Bij memorie van grieven, tevens akte van wijziging eis, heeft appellante vier grieven aangevoerd.
  • Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 2 de grieven alsmede de wijziging van eis bestreden.
  • Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 1 de grieven alsmede de wijziging van eis eveneens bestreden.


Partijen hebben arrest gevraagd en ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd.
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen

  1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het vonnis van 21 mei 2014 zijn vastgesteld.
    Bij het (eind)vonnis van 8 april 2015:
    is bepaald dat de resterende legitieme vordering van appellante € 2.721,16 bedraagt;

is bepaald dat deze resterende legitieme vordering uit de nalatenschap van [de moeder] (hierna: erflaatster) moet worden voldaan;

is de nalatenschap van erflaatster als volgt verdeeld:

  • aan geïntimeerde sub 1 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27
  • aan geïntimeerde sub 2 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27
  • aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27;
  • zijn geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) veroordeeld ervoor zorg te
    dragen dat aan appellante het bedrag van € 2.721,16 ter zake van haar resterende legitieme
    vordering wordt betaald.
    Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
    Voorts is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar louter ten behoeve van gedaagde in eerste
    aanleg sub 3 ingestelde vorderingen.
    De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
    Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
  1. Appellante vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gewezen
    bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw recht doende, zulks met aanvulling en/of verbetering
    van gronden, de vorderingen van appellante alsnog toewijst en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
    primair
    de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en de wijze van verdeling vaststelt, en daarbij bepaalt dat:

geïntimeerden hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan de boedel van de door
geïntimeerden tot zich genomen bedragen ad totaal € 14.720,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

het in totaal tussen de erfgenamen te verdelen bedrag in contanten daarmee
€ 24.329,99 zal bedragen, waartoe iedere deelgenoot tot een gelijk deel ad
www.erfrechtadvocaat.nu
€ 6.082,50 gerechtigd is, te vermeerderen met ieder 1/4e deel van de door geïntimeerden verschuldigde wettelijke rente;

geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk te veroordelen (als gemachtigden tot de
rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd
zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,
subsidiair
indien de rechtbank, het hof begrijpt: het hof, van oordeel mocht zijn dat de door geïntimeerden tot
zich genomen bedragen als een schenking of een gift moeten worden beschouwd, vordert appellante
verdeling van de nalatenschap met een (aanvullend) beroep op haar legitieme. Appellante verzoekt
het hof, het hof begrijpt: vordert, de verdeling van de nalatenschap van erflaatster in goede justitie
vast te stellen, en daarbij

  • de legitieme van appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 op basis van:
  • het saldo van de ervenrekening en contanten ad € 9.609,99
  • de door geïntimeerden opgenomen bedragen ad totaal € 14.720,-
  • de door appellante ontvangen ring ad € 1.600,-
  • de waarde van de door geïntimeerden behouden sieraden, bestaande uit een gouden
    slavenarmband met briljanten, gouden oorknopjes met bloedkoralen, een gouden ring met
    bloedkoralen (passend bij de oorbellen), een gouden halsketting met hanger en een gouden horloge,
    waarvan de waarde alsdan middels een door het hof aan te wijzen taxateur zal worden vastgesteld;
  • geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) te veroordelen om zorg te dragen
    voor betaling van de bedragen die verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub
    3 en – indien blijkt dat de legitieme porties niet (volledig) kunnen worden voldaan uit de in de boedel
    aanwezige contanten en tegoeden – hen hoofdelijk te veroordelen om op basis van inkorting het
    restant te voldoen aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,
    zowel primair als subsidiair
    geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.
  1. Geïntimeerde sub 2 concludeert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk
    uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar
    grieven en vorderingen af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden vonnissen en appellante te
    veroordelen in de kosten van beide instanties, dan wel de procedure in hoger beroep, te voldoen
    binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest en (voor het geval
    voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt) te vermeerderen
    met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag
    der voldoening, alsmede met veroordeling van appellante in de nakosten ad € 131,- dan wel, indien
    betekening van het arrest plaatsvindt, ad € 199,- en de eventuele verdere executiekosten.
    Indien en voor zover het hof redenen mocht zien de (resterende) legitieme vordering van appellante
    opnieuw vast te stellen verzoekt, het hof begrijpt: vordert, geïntimeerde sub 2 dat het hof hierbij
    rekening houdt met het huidig batig saldo van de nalatenschap ad € 9.579,56.
    www.erfrechtadvocaat.nu
  2. Geïntimeerde sub 1 concludeert te bekrachtigen de vonnissen waarvan beroep en appellante te
    veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
    Het geschil
  3. In geschil zijn de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en het aanvullend beroep van
    appellante op haar legitieme portie.
    Achtergrond
  4. Appellante, geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn kinderen van erflaatster.
    Geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn broers van appellante. Geïntimeerde sub
    1 is de zoon van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster. Erflaatster heeft bij testament haar
    kinderen en de zoon van haar echtgenoot benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel
    van haar nalatenschap. Tevens is in het testament bepaald dat de afstammelingen van erflaatster zijn
    vrijgesteld van de verplichting tot inbreng van giften in haar nalatenschap, tenzij bij een gift
    schriftelijk anders is bepaald.
  5. Kort voor het overlijden van erflaatster op 22 maart 2011, heeft geïntimeerde sub 2 op
    verschillende tijdstippen op 18 maart en 21 maart 2011 een bedrag van in totaal € 14.720,-
    opgenomen met de pinpas van erflaatster. Volgens geïntimeerden – die in haar laatste levensjaren
    voor erflaatster hebben gezorgd – heeft erflaatster daarna ieder van hen afzonderlijk bij zich
    geroepen om vervolgens ieder de helft van het opgenomen geld te overhandigen wegens de door
    geïntimeerden aan haar bewezen diensten. Appellante is van mening dat de gelden zonder recht of
    titel zijn opgenomen en dat deze derhalve aan de nalatenschap moeten worden vergoed. Vlak voor
    haar overlijden heeft erflaatster appellante een gouden ring met briljant geschonken.
    Opgenomen gelden een gift?
  6. Appellante is het er niet mee eens dat de rechtbank haar primaire vordering tot verdeling van de
    nalatenschap, waartoe volgens appellante ook de door geïntimeerden opgenomen gelden behoren,
    heeft afgewezen omdat appellante niet zou hebben bewezen dat geïntimeerden deze gelden
    onrechtmatig aan de boedel zouden hebben onttrokken.
  7. Volgens appellante hebben geïntimeerden, door te stellen dat ter zake de gelden sprake is van
    een schenking van erflaatster aan hen, een zelfstandig of bevrijdend verweer gevoerd, zodat de
    bewijslast op hen hoort te rusten. Nu geïntimeerden niet kunnen aantonen dat de desbetreffende
    bedragen – per persoon € 7.360,- – aan hen zijn geschonken, betekent dit dat zij de gelden zonder
    recht of titel tot zich hebben genomen. Zij zijn derhalve gehouden deze bedragen aan de boedel
    terug te betalen.
  8. Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
    www.erfrechtadvocaat.nu
  9. Het hof is van oordeel dat de grief van appellante slaagt. Immers, vaststaat dat geïntimeerden,
    althans geïntimeerde sub 2 het bedrag van in totaal € 14.720,- heeft opgenomen en dat de gelden
    uiteindelijk in het bezit van geïntimeerden zijn gekomen, ieder een bedrag van € 7.360,-. In zoverre
    verschilt de onderhavige casuspositie van die waarop de door de rechtbank in haar vonnis van 21 mei
    2014 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en conclusie van de A-G betrekking had. Het ging daar
    om een gemotiveerde betwisting van de gestelde toe-eigening van de opgenomen gelden.
    Geïntimeerden daarentegen erkennen dat zij ieder de helft van de opgenomen gelden in hun bezit
    hebben. Zij stellen echter dat erflaatster ieder van hen dat geld geschonken heeft, zodat sprake is
    van een gift, welke op grond van het testament van erflaatster niet in de nalatenschap hoeft te
    worden ingebracht. Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een zelfstandig of bevrijdend
    verweer (een ‘ja… maar’ verweer) waarbij de bewijslast op geïntimeerden komt te rusten.
  10. Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde sub 1 heeft in het geheel geen bewijsaanbod
    van de door hem gestelde titel (gift) gedaan en geïntimeerde sub 2 slechts een algemeen, niet
    specifiek bewijsaanbod. Nu het bewijsaanbod niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gaat het
    hof hieraan voorbij. Dit brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat geen sprake is geweest
    van een gift van erflaatster aan geïntimeerden en dat geïntimeerden zich de gelden zonder recht of
    titel, derhalve onrechtmatig, tijdens haar leven hebben toegeëigend en deze gelden bij wege van
    schadevergoeding in geld aan de gezamenlijke erfgenamen (de nalatenschap) moeten vergoeden.
    Wijziging van eis
  11. Appellante heeft in hoger beroep haar primaire vordering gewijzigd in die zin dat zij thans naast
    terugstorting van het bedrag van € 14.720,- in de nalatenschap van erflaatster tevens vergoeding van
    de wettelijke rente over dat bedrag vordert vanaf 22 maart 2011, de overlijdensdatum van
    erflaatster. Dit omdat sprake is geweest van een onrechtmatige daad aan de zijde van
    geïntimeerden.
  12. Geïntimeerde sub 2 heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de primaire vordering.
  13. Het hof stelt vast dat appellante haar eiswijziging in de memorie van grieven, tevens akte
    wijziging van eis, heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan
    ook niet vertraagd door de eiswijziging. Het hof is voorts van oordeel dat geïntimeerden voldoende
    in de gelegenheid zijn geweest zich tegen de gewijzigde vorderingen te verweren, omdat zij in hun
    memories van antwoord op de stellingen van appellante hebben kunnen reageren. Gelet op het
    vorenstaande is de wijziging van de primaire vordering van appellante naar het oordeel van het hof
    niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal in het navolgende derhalve
    overgaan tot beoordeling van die gewijzigde primaire vordering.
  14. Zoals hierboven onder rechtsoverweging 13 reeds is overwogen, is het zich zonder recht of titel
    toe-eigenen van de opgenomen gelden door geïntimeerden een onrechtmatige daad. Op grond van
    artikel 6:119 BW juncto artikel 6:83 letter b BW gaat de verschuldigde wettelijke rente dan lopen
    vanaf het moment dat de schadevergoedingsverbintenis opeisbaar is geworden, in casu met ingang
    van de datum waarop geïntimeerden zich de gelden onrechtmatig hebben toegeëigend. Nu
    appellante rente vordert met ingang van 22 maart 2011, de sterfdatum van erflaatster en deze
    datum is gelegen na de gestelde datum van de opname van gelden met de pinpas, zal het hof zich daarbij aansluiten. De gevorderde verdeling
  15. Appellante vordert verdeling van de nalatenschap van erflaatster en vaststelling van de wijze van verdeling. Het hof begrijpt dat zij hiermee een beroep doet op artikel 3:185 BW, welk artikel de mogelijkheid biedt een verdeling door de rechter te vorderen, in het geval dat deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen geraken over de verdeling.
  16. Gelet op de processtukken, is tussen partijen in confesso dat de te verdelen nalatenschap in ieder geval bestaat uit een banktegoed en contant geld, in totaal
    € 9.609,99. Op grond van hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 13 en 17 is overwogen,
    dient dit bedrag nog te worden verhoogd met de opgenomen gelden van in totaal € 14.720,-,
    alsmede met de wettelijk rente daarover met ingang van 22 maart 2011.
  17. Nu de nalatenschap eenvoudig te verdelen goederen betreft, is het hof van oordeel dat het hof de verdeling van de nalatenschap van erflaatster kan vaststellen, ondanks het feit dat gedaagde in eerste aanleg sub 3 door appellante niet in dit hoger beroep is betrokken.
  18. Naar het oordeel van het hof heeft het verdelingsgeschil een processueel ondeelbare
    rechtsverhouding tot voorwerp. Gedaagde in eerste aanleg sub 3 is immers ook in die
    rechtsverhouding betrokken. De beslissing ten aanzien van de procespartijen in hoger beroep mag niet afwijken van die ten opzichte van de gedaagde in eerste aanleg sub 3. Volgens vaste rechtspraak moet de appelrechter in het geval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding ambtshalve
    oordelen dat zijn uitspraak mede gelding heeft ten gunste van een van de betrokken partijen uit de
    eerste aanleg die niet zelf heeft geappelleerd.
  19. Het hof zal – met inachtneming van het vorenstaande en de vorderingen van appellante ter zake –
    de nalatenschap van erflaatster verdelen als hieronder in het dictum is weergegeven.
  20. Nu het hof oordeelt dat aan de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen niet de
    rechtsgrond gift ten grondslag heeft gelegen of een andere titel, komt het hof niet toe aan de
    (voorwaardelijke) subsidiaire vordering van appellante. De grieven die – zoals toegelicht -daarop
    betrekking hebben kunnen derhalve onbesproken blijven.
    Proceskosten
  21. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak, zal het hof de kosten van het geding
    in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden
    www.erfrechtadvocaat.nu
    is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg terecht zijn gecompenseerd. De
    andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.
  22. Dit alles leidt tot de volgende beslissing, waarbij het hof de bestreden vonnissen om
    proceseconomische redenen geheel zal vernietigen.
    Beslissing
    Het hof:
    vernietigt de bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende:
    veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot terugbetaling ten behoeve van de gezamenlijke
    erfgenamen aan de nalatenschap van erflaatster van de door geïntimeerden tot zich genomen
    bedragen van in totaal € 14.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot
    aan de dag van betaling; verdeelt de nalatenschap van erflaatster als volgt:

deelt toe aan appellante een bedrag van € 6.082,49 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;

deelt toe aan geïntimeerde sub 1 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente; deelt toe aan geïntimeerde sub 2 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente; deelt toe aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met
een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
veroordeelt geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk (als gemachtigden tot de
rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd
zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter
openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier
https://uitspraken.rechtspraak.nl

Erfrecht
Verdeling nalatenschap.

Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Rechten en plichten erfgenamen

Rechten en plichten erfgenamen

rechten erfgenaam nalatenschap

1. wat moet ik doen als ik niet of onvoldoende word geïnformeerd bij een nalatenschap / erfenis?

Rechten en plichten erfgenamen

Erfgenamen zijn verplicht elkaar alle gegevens te verstrekken die voor de bepaling van hun erfrechtelijke posities van belang zijn.

Voorafgaand aan een verdeling heeft iedere deelgenoot het recht een boedelbeschrijving te vorderen.
Een boedelbeschrijving houdt in dat alle tot de nalatenschap behorende goederen en zaken worden beschreven, zowel de baten als de lasten.

Een boedelbeschrijving kan onderhands worden opgesteld, maar ook door een notaris in de vorm van een notariële akte.
In een notariële akte wordt de boedelbeschrijving in de meeste gevallen onder ede bevestigd.

Het is mogelijk om de kantonrechter een boedelbeschrijving te laten bevelen.
De kantonrechter zal daartoe een notaris aanwijzen.
De kosten van de werkzaamheden van de notaris worden aangemerkt als boedelkosten.
Dit betekent dat de kosten voor rekening komen van de erfgenamen.

Het afleggen van een eed omtrent de juistheid van de boedelbeschrijving lijkt op het eerste gezicht gratuit.
Maar let wel dat wanneer blijkt dat er toch zaken buiten beschouwing zijn gelaten er in feite meineed is gepleegd en dat op het plegen van meineed  strafrechtelijke sancties staan.

Daarnaast geldt dat een erfgenaam die opzettelijk tot de nalatenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel daarin aan de overige erfgenamen verbeurt  (artikel 3:194 lid 2 BW).

2. wat zijn mijn rechten en plichten als erfgenaam ten opzichte van andere erfgenamen?

Rechten en plichten erfgenamen.

De nalatenschap vormt een onverdeelde gemeenschap waartoe alle erfgenamen ieder voor een gelijk deel gerechtigd zijn.

Juridisch wordt deze gezamenlijke eigendom aangeduid als een gemeenschap en de gerechtigden (erfgenamen) als deelgenoten.

Alle tot de nalatenschap behorende goederen zijn mede-eigendom van alle erfgenamen zolang er nog niet verdeeld is. Dit betekent dat niet over de boedel (zowel inboedel als banktegoeden) kan worden beschikt zonder medewerking en/of instemming van alle deelgenoten.

Met daden van beschikking worden handelingen bedoeld als verkopen, verhuren of verpachten van de grond c.q. de woning.

Voor het overige geschiedt het beheer van de gemeenschap door de deelgenoten tezamen. Onder beheer wordt begrepen “alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, waaronder ook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties”.

Bepaalde handelingen die kunnen beschouwd als beheersdaden kunnen door iedere deelgenoot afzonderlijk worden verricht. Hierbij gaat het om handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van de zaak en handelingen die geen uitstel kunnen lijden.

Deelgenoten kunnen onderling afspraken maken over het beheer van de gemeenschap. Op verzoek van een belanghebbende partij kan de kantonrechter desnoods een beheersregeling treffen.

Erfgenamen zijn verplicht elkaar alle gegevens te verstrekken die voor de bepaling van hun erfrechtelijke posities van belang zijn. Voorafgaand aan een verdeling heeft iedere deelgenoot het recht een boedelbeschrijving te vorderen.


Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?

A Erfrecht Santema Advocatuur logo contact info@santema-advocatuur.nl

SANTEMA ADVOCATUUR
Gespecialiseerd in Erfrecht

Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?
Neem gerust contact op.

Openingstijden kantoor:
maandag tot en met vrijdag
van 8.30 – 17.30 uur

Singel 43 8601
AH Sneek

Contact Santema Erfrecht Advocatuur
Telefoonnummer Erfrechttelefoon
e-Mail

familie-erfrechtadvocatuur.nl onderdeel van Santema Erfrecht Advocatuur

Legitieme portie

1. Waar heb ik recht op als ik ben onterfd?

Ieder kind heeft recht op een minimum bedrag als het gaat om de nalatenschap van diens ouders, de zogenoemde legitieme portie. De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van uw ouders waar u als kind altijd recht op heeft, ongeacht de inhoud van het testament en in weerwil van gedane giften.

De legitieme wordt verkregen in de vorm van een vordering. De legitimaris wordt door een beroep te doen geen mede-eigenaar van de goederen van de nalatenschap.

2. Kan ik ook een beroep doen op de legitieme als ik niet onterfd ben?

Het recht op de legitieme geldt niet alleen voor onterfde kinderen, maar is van toepassing op alle kinderen. In sommige situaties is het ook voor niet-onterfde kinderen van belang een beroep te doen op de legitieme, dit wordt vaak een aanvullend beroep op de legitieme genoemd.

3. Hoe groot is mijn legitieme?

Het legitieme deel is naar huidig erfrecht de helft van een gewoon kindsdeel. Dat wil zeggen: het breukdeel is de helft van het breukdeel bij versterf.

Voorbeeld breukdeel legitieme

X en Y zijn gehuwd en hebben 3 kinderen, A,B en C. Als X overlijdt en geen testament heeft gemaakt, erven Y en de kinderen ieder 1/4e deel van de nalatenschap. Het legitieme deel van ieder kind is dan 1/8e.

Welke waarde de legitieme heeft, is afhankelijk van de waarde van het nagelaten vermogen.
Dit saldo wordt berekend aan de hand van het op het moment van overlijden aanwezige vermogen. Ook de begrafeniskosten worden op dat saldo in mindering gebracht. Naast het saldo van baten en lasten worden ook de gedane schenkingen en giften meegeteld.
De giften of schenkingen die de legitimaris zelf heeft ontvangen, worden afgetrokken van de legitieme.

Voorbeeld berekening legitieme:

X en Y zijn gehuwd en hebben 3 kinderen, A,B en C.
X overlijdt en heeft geen testament gemaakt. Bij overlijden bestaat de huwelijksgemeenschap uit een totaal aan baten van € 100.000,– en schulden ad € 60.000,–. Er is een positief saldo van € 40.000,– waarvan de helft in de nalatenschap valt (de andere helft behoort aan Y op basis van de huwelijksgemeenschap).

Iedere erfgenaam verkrijgt 1/4e van 20.000,– = € 5.000,– De kinderen verkrijgen dit erfdeel in de vorm van een niet-opeisbare vordering. Dit bedrag wordt pas uitgekeerd op het moment van overlijden van Y.
Stel dat X kind A heeft onterfd. A heeft dan recht op een legitieme van € 2.500,–. Ook dit bedrag wordt pas opeisbaar op het moment van overlijden van Y.

Voorbeeld: A en B zijn erfgenaam. De totale erfenis bedraagt netto € 10.000,00. B heeft echter in het verleden een schenking gehad van € 50.000,00. Als de erfenis gewoon wordt gedeeld tussen beide erfgenamen krijgt ieder € 5.000,00. Erfgenaam A kan echter een beroep doen op de legitieme. Voor de berekening daarvan wordt ook de ontvangen schenking meegeteld. De legitieme van A komt dan uit op 1/4e van 60.000 = € 15.000,00

Conclusie: A kan met een beroep op de legitieme aanspraak maken op de hele erfenis ad € 10.000,00 en daarnaast vorderen dat B aan hem een bedrag van € 5.000,00 betaalt. Daarmee zal A uitkomen op een verkrijging van € 15.000,00.

4. Wanneer kan ik mijn legitieme opeisen?

Als de overledene ten tijde van zijn overlijden een echtgenoot achterlaat, hoeft de legitieme pas te worden uitgekeerd op het moment van overlijden van de langstlevende echtgenoot. Een zelfde voorziening kan middels een testament worden getroffen ten behoeve van een partner als er een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd.

Tot het moment van opeisbaarheid  is de echtgenoot/partner volledig vrij om over het door hem/haar geërfde te beschikken en daar op in te teren. Er hoeft met andere woorden geen zekerheid gesteld te worden voor de legitieme.

Als er geen langstlevende echtgenoot of partner meer is dan wordt  het bedrag ter waarde van de legitieme zes maanden na het overlijden opeisbaar.

Let wel dat – ook al is de legitieme nog niet opeisbaar – er wel binnen vijf jaar na het overlijden van de ouder kenbaar aanspraak gemaakt moet worden op de legitieme. Deze termijn van 5 jaar is een vervaltermijn, dat betekent dat verlenging daarvan niet mogelijk is.

5. Hoe doe ik een beroep op mijn legitieme?

De mogelijkheid om een beroep te doen op de legitieme vervalt vijf jaar na het overlijden. Dat geldt ook als de legitieme nog niet opeisbaar is omdat de langstlevende ouder nog leeft. Deze termijn van 5 jaar is een vervaltermijn, dat betekent dat verlenging daarvan niet mogelijk is.

De wet stelt: “De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.
De wet stelt geen formele eisen aan de inhoud van een beroep op de legitieme.

Een beroep op de legitieme kan ook mondeling gedaan worden. Om te voorkomen dat er later discussie ontstaat of het beroep al dan niet (tijdig) is gedaan, is het wel raadzaak er voor te zorgen dat kan worden aangetoond dat het beroep op de legitieme gedaan is, bijvoorbeeld door het schriftelijk bij aangetekend schrijven kenbaar te maken.
De wet zegt niet tegen wie de legitimaris zijn verklaring moet afleggen. Het ligt voor de hand dat de legitimaris deze verklaring kenbaar moet maken bij degene op wie hij zijn vordering verkrijgt, dus de gezamenlijke erfgenamen of de langstlevende ouder.

Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?

A Erfrecht Santema Advocatuur logo contact info@santema-advocatuur.nl

SANTEMA ADVOCATUUR
Gespecialiseerd in Erfrecht

Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?
Neem gerust contact op.

Openingstijden kantoor:
maandag tot en met vrijdag
van 8.30 – 17.30 uur

Singel 43 8601
AH Sneek

Contact Santema Erfrecht Advocatuur
Telefoonnummer Erfrechttelefoon
e-Mail
001ALegitieme portie - berekenen - kleinkind - oud

Rechtspraak.nl
ECLI:NL:GHDHA:2016:1575

ECLI:NL:GHDHA:2016:1575
legitieme portie

Gerechtshof Den Haag

200.171.269/01 Rechtsgebieden

Civiel recht

Hoger beroep Inhoudsindicatie

Erfrecht.
Verdeling nalatenschap.
Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht – legitieme portie

Zaaknummer : 200.171.269/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/446105/HA ZA 13-749

arrest van 24 mei 2016

inzake

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: mr. W.S. Santema te Sneek,

tegen

1. [de stiefzoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde sub 1,

advocaat: mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer,

2. [zoon een] ,

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr. M.P.J. Frederiks te Woerden,

hierna tezamen ook: geïntimeerden.

Het geding

Bij exploot van 2 juni 2015 is [de dochter] in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de rechtbank Den Haag op 18 december 2013, 21 mei 2014, 12 november 2014 en 8 april 2015 tussen:

  • -appellante als eiseres in conventie en gedaagde in de door geïntimeerde 2 ingestelde voorwaardelijke reconventie,
  • -geïntimeerde sub 1 als gedaagde,
  • -geïntimeerde sub 2 als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie en

– [zoon twee] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen gedaagde, tegen wie verstek is verleend, hierna: gedaagde in eerste aanleg sub 3, gewezen, hierna aan te duiden als: de bestreden vonnissen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank Den Haag daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld

Bij memorie van grieven, tevens akte van wijziging eis, heeft appellante vier grieven aangevoerd.
” van antwoord heeft geïntimeerde 2 de grieven alsmede de wijziging van eis bestreden.
” van antwoord heeft geïntimeerde 1 de grieven alsmede de wijziging van eis eveneens bestreden.

Partijen hebben arrest gevraagd en ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het vonnis van 21 mei 2014 zijn vastgesteld.

2. Bij het (eind)vonnis van 8 april 2015:

  • -is bepaald dat de resterende legitieme vordering van appellante € 2.721,16 bedraagt;
  • -is bepaald dat deze resterende legitieme vordering uit de nalatenschap van [de moeder] (hierna: erflaatster) moet worden voldaan;
  • -is de nalatenschap van erflaatster als volgt verdeeld:

– aan geïntimeerde sub 1 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27
– ” sub 2 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27
– ” in eerste aanleg sub 3 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27;
– zijn geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) veroordeeld ervoor zorg te dragen dat aan appellante het bedrag van € 2.721,16 ter zake van haar resterende legitieme vordering wordt betaald.

Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Voorts is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar louter ten behoeve van gedaagde in eerste aanleg sub 3 ingestelde vorderingen.

De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. Appellante vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gewezen bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw recht doende, zulks met aanvulling en/of verbetering van gronden, de vorderingen van appellante alsnog toewijst en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en de wijze van verdeling vaststelt, en daarbij bepaalt dat:

-geïntimeerden hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan de boedel van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen ad totaal € 14.720,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

-het in totaal tussen de erfgenamen te verdelen bedrag in contanten daarmee
€ 24.329,99 zal bedragen, waartoe iedere deelgenoot tot een gelijk deel ad
€ 6.082,50 gerechtigd is, te vermeerderen met ieder 1/4e deel van de door geïntimeerden verschuldigde wettelijke rente;

-geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk te veroordelen (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,

subsidiair

indien de rechtbank, het hof begrijpt: het hof, van oordeel mocht zijn dat de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen als een schenking of een gift moeten worden beschouwd, vordert appellante verdeling van de nalatenschap met een (aanvullend) beroep op haar legitieme. Appellante verzoekt het hof, het hof begrijpt: vordert, de verdeling van de nalatenschap van erflaatster in goede justitie vast te stellen, en daarbij

– de legitieme van appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 op basis van:
– het saldo van de ervenrekening en contanten ad € 9.609,99
– de door geïntimeerden opgenomen bedragen ad totaal € 14.720,-
– de door appellante ontvangen ring ad € 1.600,-
– de waarde van de door geïntimeerden behouden sieraden, bestaande uit een gouden slavenarmband met briljanten, gouden oorknopjes met bloedkoralen, een gouden ring met bloedkoralen (passend bij de oorbellen), een gouden halsketting met hanger en een gouden horloge, waarvan de waarde alsdan middels een door het hof aan te wijzen taxateur zal worden vastgesteld;
– geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) te veroordelen om zorg te dragen voor betaling van de bedragen die verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 en – indien blijkt dat de legitieme porties niet (volledig) kunnen worden voldaan uit de in de boedel aanwezige contanten en tegoeden – hen hoofdelijk te veroordelen om op basis van inkorting het restant te voldoen aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,

zowel primair als subsidiair

geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.

4. Geïntimeerde sub 2 concludeert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar grieven en vorderingen af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden vonnissen en appellante te veroordelen in de kosten van beide instanties, dan wel de procedure in hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag der voldoening, alsmede met veroordeling van appellante in de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van het arrest plaatsvindt, ad € 199,- en de eventuele verdere executiekosten.

Indien en voor zover het hof redenen mocht zien de (resterende) legitieme vordering van appellante opnieuw vast te stellen verzoekt, het hof begrijpt: vordert, geïntimeerde sub 2 dat het hof hierbij rekening houdt met het huidig batig saldo van de nalatenschap ad € 9.579,56.

5. Geïntimeerde sub 1 concludeert te bekrachtigen de vonnissen waarvan beroep en appellante te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Het geschil

6. In geschil zijn de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en het aanvullend beroep van appellante op haar legitieme portie.

Achtergrond

7. Appellante, geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn kinderen van erflaatster. Geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn broers van appellante. Geïntimeerde sub 1 is de zoon van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster. Erflaatster heeft bij testament haar kinderen en de zoon van haar echtgenoot benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel van haar nalatenschap. Tevens is in het testament bepaald dat de afstammelingen van erflaatster zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng van giften in haar nalatenschap, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald.

8. Kort voor het overlijden van erflaatster op 22 maart 2011, heeft geïntimeerde sub 2 op verschillende tijdstippen op 18 maart en 21 maart 2011 een bedrag van in totaal € 14.720,- opgenomen met de pinpas van erflaatster. Volgens geïntimeerden – die in haar laatste levensjaren voor erflaatster hebben gezorgd – heeft erflaatster daarna ieder van hen afzonderlijk bij zich geroepen om vervolgens ieder de helft van het opgenomen geld te overhandigen wegens de door geïntimeerden aan haar bewezen diensten. Appellante is van mening dat de gelden zonder recht of titel zijn opgenomen en dat deze derhalve aan de nalatenschap moeten worden vergoed. Vlak voor haar overlijden heeft erflaatster appellante een gouden ring met briljant geschonken.

Opgenomen gelden een gift?

9. Appellante is het er niet mee eens dat de rechtbank haar primaire vordering tot verdeling van de nalatenschap, waartoe volgens appellante ook de door geïntimeerden opgenomen gelden behoren, heeft afgewezen omdat appellante niet zou hebben bewezen dat geïntimeerden deze gelden onrechtmatig aan de boedel zouden hebben onttrokken.

10. Volgens appellante hebben geïntimeerden, door te stellen dat ter zake de gelden sprake is van een schenking van erflaatster aan hen, een zelfstandig of bevrijdend verweer gevoerd, zodat de bewijslast op hen hoort te rusten. Nu geïntimeerden niet kunnen aantonen dat de desbetreffende bedragen – per persoon € 7.360,- – aan hen zijn geschonken, betekent dit dat zij de gelden zonder recht of titel tot zich hebben genomen. Zij zijn derhalve gehouden deze bedragen aan de boedel terug te betalen.

11. Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

12. Het hof is van oordeel dat de grief van appellante slaagt. Immers, vaststaat dat geïntimeerden, althans geïntimeerde sub 2 het bedrag van in totaal € 14.720,- heeft opgenomen en dat de gelden uiteindelijk in het bezit van geïntimeerden zijn gekomen, ieder een bedrag van € 7.360,-.

In zoverre verschilt de onderhavige casuspositie van die waarop de door de rechtbank in haar vonnis van 21 mei 2014 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en conclusie van de A-G betrekking had. Het ging daar om een gemotiveerde betwisting van de gestelde toe-eigening van de opgenomen gelden. Geïntimeerden daarentegen erkennen dat zij ieder de helft van de opgenomen gelden in hun bezit hebben. Zij stellen echter dat erflaatster ieder van hen dat geld geschonken heeft, zodat sprake is van een gift, welke op grond van het testament van erflaatster niet in de nalatenschap hoeft te worden ingebracht. Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een zelfstandig of bevrijdend verweer (een ‘ja… maar’ verweer) waarbij de bewijslast op geïntimeerden komt te rusten.

13. Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde sub 1 heeft in het geheel geen bewijsaanbod van de door hem gestelde titel (gift) gedaan en geïntimeerde sub 2 slechts een algemeen, niet specifiek bewijsaanbod. Nu het bewijsaanbod niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gaat het hof hieraan voorbij. Dit brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat geen sprake is geweest van een gift van erflaatster aan geïntimeerden en dat geïntimeerden zich de gelden zonder recht of titel, derhalve onrechtmatig, tijdens haar leven hebben toegeëigend en deze gelden bij wege van schadevergoeding in geld aan de gezamenlijke erfgenamen (de nalatenschap) moeten vergoeden.

Wijziging van eis

14. Appellante heeft in hoger beroep haar primaire vordering gewijzigd in die zin dat zij thans naast terugstorting van het bedrag van € 14.720,- in de nalatenschap van erflaatster tevens vergoeding van de wettelijke rente over dat bedrag vordert vanaf 22 maart 2011, de overlijdensdatum van erflaatster. Dit omdat sprake is geweest van een onrechtmatige daad aan de zijde van geïntimeerden.

15. Geïntimeerde sub 2 heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de primaire vordering.

16. Het hof stelt vast dat appellante haar eiswijziging in de memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging. Het hof is voorts van oordeel dat geïntimeerden voldoende in de gelegenheid zijn geweest zich tegen de gewijzigde vorderingen te verweren, omdat zij in hun memories van antwoord op de stellingen van appellante hebben kunnen reageren. Gelet op het vorenstaande is de wijziging van de primaire vordering van appellante naar het oordeel van het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal in het navolgende derhalve overgaan tot beoordeling van die gewijzigde primaire vordering.

17. Zoals hierboven onder rechtsoverweging 13 reeds is overwogen, is het zich zonder recht of titel toe-eigenen van de opgenomen gelden door geïntimeerden een onrechtmatige daad. Op grond van artikel 6:119 BW juncto artikel 6:83 letter b BW gaat de verschuldigde wettelijke rente dan lopen vanaf het moment dat de schadevergoedingsverbintenis opeisbaar is geworden, in casu met ingang van de datum waarop geïntimeerden zich de gelden onrechtmatig hebben toegeëigend. Nu appellante rente vordert met ingang van 22 maart 2011, de sterfdatum van erflaatster en deze datum is gelegen na de gestelde datum van de opname van gelden met de pinpas, zal het hof zich daarbij aansluiten.

De gevorderde verdeling

18. Appellante vordert verdeling van de nalatenschap van erflaatster en vaststelling van de wijze van verdeling. Het hof begrijpt dat zij hiermee een beroep doet op artikel 3:185 BW, welk artikel de mogelijkheid biedt een verdeling door de rechter te vorderen, in het geval dat deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen geraken over de verdeling.

19. Gelet op de processtukken, is tussen partijen in confesso dat de te verdelen nalatenschap in ieder geval bestaat uit een banktegoed en contant geld, in totaal
€ 9.609,99. Op grond van hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 13 en 17 is overwogen, dient dit bedrag nog te worden verhoogd met de opgenomen gelden van in totaal € 14.720,-, alsmede met de wettelijk rente daarover met ingang van 22 maart 2011.

20. Nu de nalatenschap eenvoudig te verdelen goederen betreft, is het hof van oordeel dat het hof de verdeling van de nalatenschap van erflaatster kan vaststellen, ondanks het feit dat gedaagde in eerste aanleg sub 3 door appellante niet in dit hoger beroep is betrokken.

21. Naar het oordeel van het hof heeft het verdelingsgeschil een processueel ondeelbare rechtsverhouding tot voorwerp. Gedaagde in eerste aanleg sub 3 is immers ook in die rechtsverhouding betrokken. De beslissing ten aanzien van de procespartijen in hoger beroep mag niet afwijken van die ten opzichte van de gedaagde in eerste aanleg sub 3. Volgens vaste rechtspraak moet de appelrechter in het geval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding ambtshalve oordelen dat zijn uitspraak mede gelding heeft ten gunste van een van de betrokken partijen uit de eerste aanleg die niet zelf heeft geappelleerd.

22. Het hof zal – met inachtneming van het vorenstaande en de vorderingen van appellante ter zake – de nalatenschap van erflaatster verdelen als hieronder in het dictum is weergegeven.

23. Nu het hof oordeelt dat aan de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen niet de rechtsgrond gift ten grondslag heeft gelegen of een andere titel, komt het hof niet toe aan de (voorwaardelijke) subsidiaire vordering van appellante. De grieven die – zoals toegelicht -daarop betrekking hebben kunnen derhalve onbesproken blijven.

Proceskosten

24. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak, zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg terecht zijn gecompenseerd. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

25. Dit alles leidt tot de volgende beslissing, waarbij het hof de bestreden vonnissen om proceseconomische redenen geheel zal vernietigen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot terugbetaling ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen aan de nalatenschap van erflaatster van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen van in totaal € 14.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

verdeelt de nalatenschap van erflaatster als volgt:

  • -deelt toe aan appellante een bedrag van € 6.082,49 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • -deelt toe aan geïntimeerde sub 1 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • -deelt toe aan geïntimeerde sub 2 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • -deelt toe aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;

veroordeelt geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.

ECLI:NL:GHDHA:2016:1575 – Gerechtshof Den Haag,
24-05-2016 / 200.171.269/01

Mijn ouders hebben schenkingen gedaan, welke invloed heeft dat op de erfenis?

Mijn ouders hebben schenkingen gedaan, welke invloed heeft dat op de erfenis?

Schenkingen en giften : erfenis informatie

Giften kunnen op twee gronden een rol spelen bij de afwikkeling van nalatenschappen, namelijk op grond van inbreng en op grond van de legitieme.
Ouders voelen vaak de morele plicht om hun kinderen gelijk te behandelen en ook de kinderen zelf ervaren dat vaak als een vanzelfsprekendheid.
Toch  is er geen wettelijke verplichting op grond waarvan ouders verplicht zijn om hun kinderen gelijk te bedelen en/of aan alle kinderen evenveel na te laten. Er kunnen daarom door allerlei redenen een verschillen ontstaan tussen wat het ene en het andere kind van vader en moeder heeft gekregen.

Inbreng:
Eens gegeven blijft gegeven is sinds 2003 het wettelijke uitgangspunt

Voor 2003 was dat anders en was inbreng de hoofdregel.
Inbreng betekent dat de gedane gift moet worden beschouwd als een voorschot op de erfenis. Bij de verdeling wordt daarom de gift als het ware afgetrokken van het erfdeel van de ontvanger.
De regeling van inbreng heeft echter een beperkte betekenis. Alleen giften die zijn gedaan aan afstammelingen (kinderen) hoeven te worden ingebracht.
Met de invoering van het nieuwe erfrecht is inbreng bovendien alleen nog verplicht als dit uitdrukkelijk door de gever voorgeschreven is. Bovendien gaat inbreng niet zover dat de begiftigde partij daadwerkelijk geld terug in de boedel moet brengen, diens erfdeel wordt hooguit teruggebracht tot nihil.

Alleen giften die zijn gedaan vóór inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht vallen nog onder het oude regime. Schenkingen van voor 1 januari 2003 dienen te worden ingebracht, tenzij reeds bij die schenking de inbrengverplichting werd uitgesloten of tenzij er geen inbrengverplichting bestaat op grond van een testamentaire regeling.

Inbreng heeft daarom in de huidige praktijk nog maar een beperkte betekenis

Dus ook als het ene kind meer schenkingen heeft gehad dan het andere, hoeft dat niet te worden verrekend bij het verdelen van de erfenis. Toch is er wel een wettelijke ondergrens aan deze ongelijkheid, en dat is het recht op de legitieme.

Legitieme portie

Schenkingen en giften : erfenis informatie

Ieder kind heeft recht op een minimum erfdeel als het gaat om de nalatenschap van diens ouders, de zogenaamde legitieme portie. De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van uw ouders waar een kind altijd recht op heeft, ongeacht de inhoud van het testament en in weerwil van gedane giften.
Als giften dusdanig groot zijn dat uw erfdeel daardoor lager uitvalt dan de legitieme, moet uw erfdeel worden aangevuld tot de legitieme. Eventueel kan de gedane gift worden ingekort, de ontvanger van de gift moet dan een deel van gift teruggeven.


Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?

A Erfrecht Santema Advocatuur logo contact info@santema-advocatuur.nl

SANTEMA ADVOCATUUR
Gespecialiseerd in Erfrecht

Meer weten over het erfrecht?
Of vrijblijvend van gedachten wisselen?
Neem gerust contact op.

Openingstijden kantoor:
maandag tot en met vrijdag
van 8.30 – 17.30 uur

Singel 43 8601
AH Sneek

Contact Santema Erfrecht Advocatuur
Telefoonnummer Erfrechttelefoon
e-Mail

Instantie Gerechtshof Den Haag
Zaaknummer 200.171.269/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen
gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten
titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake
deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot
schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke
rente. Vordering tot verdeling.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2016/3 Uitspraak
Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.171.269/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/446105/HA ZA 13-749
inzake
[de dochter] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: appellante,
advocaat: mr. W.S. Santema te Sneek,
ECLI:NL:GHDHA:2016:1575
GERECHTSHOF DEN HAAG

arrest van 24 mei 2016

tegen

  1. [de stiefzoon] ,
    wonende te [woonplaats] ,
    geïntimeerde,
    hierna te noemen: geïntimeerde sub 1,
    advocaat: mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer,
  2. [zoon een] ,
    wonende te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven,
    geïntimeerde,
    hierna te noemen: geïntimeerde sub 2,
    advocaat: mr M.P.J. Frederiks te Woerden,
    hierna tezamen ook: geïntimeerden.
    Bij exploot van 2 juni 2015 is [de dochter] in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de
    rechtbank Den Haag op 18 december 2013, 21 mei 2014, 12 november 2014 en 8 april 2015 tussen:
    appellante als eiseres in conventie en gedaagde in de door geïntimeerde 2 ingestelde
    voorwaardelijke reconventie,
    geïntimeerde sub 1 als gedaagde,
    geïntimeerde sub 2 als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie en
  • [zoon twee] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen gedaagde, tegen wie verstek is verleend,
    hierna: gedaagde in eerste aanleg sub 3,
    gewezen, hierna aan te duiden als: de bestreden vonnissen.
    Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank Den Haag
    daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld
    Bij memorie van grieven, tevens akte van wijziging eis, heeft appellante vier grieven aangevoerd.
    Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 2 de grieven alsmede de wijziging van eis bestreden.
    Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 1 de grieven alsmede de wijziging van eis eveneens
    bestreden.

Het geding


Partijen hebben arrest gevraagd en ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd

  1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het
    vonnis van 21 mei 2014 zijn vastgesteld.
  2. Bij het (eind)vonnis van 8 april 2015:
    is bepaald dat de resterende legitieme vordering van appellante € 2.721,16 bedraagt;
    is bepaald dat deze resterende legitieme vordering uit de nalatenschap van [de moeder] (hierna:
    erflaatster) moet worden voldaan;
    is de nalatenschap van erflaatster als volgt verdeeld:
  • aan geïntimeerde sub 1 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27
  • aan geïntimeerde sub 2 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27
  • aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27;
  • zijn geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) veroordeeld ervoor zorg te
    dragen dat aan appellante het bedrag van € 2.721,16 ter zake van haar resterende legitieme
    vordering wordt betaald.
    Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
    Voorts is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar louter ten behoeve van gedaagde in eerste
    aanleg sub 3 ingestelde vorderingen.
    De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
    Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
  1. Appellante vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gewezen
    bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw recht doende, zulks met aanvulling en/of verbetering van
    gronden, de vorderingen van appellante alsnog toewijst en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
    primair
    de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en de wijze van verdeling vaststelt, en daarbij
    bepaalt dat:
    geïntimeerden hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan de boedel van de door
    geïntimeerden tot zich genomen bedragen ad totaal € 14.720,-, te vermeerderen met wettelijke rente
    vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;
    het in totaal tussen de erfgenamen te verdelen bedrag in contanten daarmee
    € 24.329,99 zal bedragen, waartoe iedere deelgenoot tot een gelijk deel ad
    € 6.082,50 gerechtigd is, te vermeerderen met ieder 1/4e deel van de door geïntimeerden
    verschuldigde wettelijke rente;
    geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk te veroordelen (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd Beoordeling van het hoger beroep
    Algemeen zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,
    subsidiair indien de rechtbank, het hof begrijpt: het hof, van oordeel mocht zijn dat de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen als een schenking of een gift moeten worden beschouwd, vordert appellante
    verdeling van de nalatenschap met een (aanvullend) beroep op haar legitieme. Appellante verzoekt het hof, het hof begrijpt: vordert, de verdeling van de nalatenschap van erflaatster in goede justitie vast te stellen, en daarbij
  • de legitieme van appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 op basis van:
  • het saldo van de ervenrekening en contanten ad € 9.609,99
  • de door geïntimeerden opgenomen bedragen ad totaal € 14.720,-
  • de door appellante ontvangen ring ad € 1.600,-
  • de waarde van de door geïntimeerden behouden sieraden, bestaande uit een gouden
    slavenarmband met briljanten, gouden oorknopjes met bloedkoralen, een gouden ring met
    bloedkoralen (passend bij de oorbellen), een gouden halsketting met hanger en een gouden horloge,
    waarvan de waarde alsdan middels een door het hof aan te wijzen taxateur zal worden vastgesteld;
  • geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) te veroordelen om zorg te dragen
    voor betaling van de bedragen die verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub
    3 en – indien blijkt dat de legitieme porties niet (volledig) kunnen worden voldaan uit de in de boedel
    aanwezige contanten en tegoeden – hen hoofdelijk te veroordelen om op basis van inkorting het
    restant te voldoen aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,
    zowel primair als subsidiair
    geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.
  1. Geïntimeerde sub 2 concludeert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk
    uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar
    grieven en vorderingen af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden vonnissen en appellante te
    veroordelen in de kosten van beide instanties, dan wel de procedure in hoger beroep, te voldoen
    binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest en (voor het geval
    voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag der voldoening, alsmede met veroordeling van appellante in de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van het arrest plaatsvindt, ad € 199,- en de eventuele verdere executiekosten.
    Indien en voor zover het hof redenen mocht zien de (resterende) legitieme vordering van appellante opnieuw vast te stellen verzoekt, het hof begrijpt: vordert, geïntimeerde sub 2 dat het hof hierbij rekening houdt met het huidig batig saldo van de nalatenschap ad € 9.579,56.
  2. Geïntimeerde sub 1 concludeert te bekrachtigen de vonnissen waarvan beroep en appellante te
    veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
  3. In geschil zijn de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en het aanvullend beroep van appellante op haar legitieme portie.
    Het geschil
    Achtergrond
  4. Appellante, geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn kinderen van erflaatster. Geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn broers van appellante. Geïntimeerde sub
    1 is de zoon van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster. Erflaatster heeft bij testament haar
    kinderen en de zoon van haar echtgenoot benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel van haar nalatenschap. Tevens is in het testament bepaald dat de afstammelingen van erflaatster zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng van giften in haar nalatenschap, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald.
  5. Kort voor het overlijden van erflaatster op 22 maart 2011, heeft geïntimeerde sub 2 op
    verschillende tijdstippen op 18 maart en 21 maart 2011 een bedrag van in totaal € 14.720,-
    opgenomen met de pinpas van erflaatster. Volgens geïntimeerden – die in haar laatste levensjaren voor erflaatster hebben gezorgd – heeft erflaatster daarna ieder van hen afzonderlijk bij zich geroepen om vervolgens ieder de helft van het opgenomen geld te overhandigen wegens de door
    geïntimeerden aan haar bewezen diensten. Appellante is van mening dat de gelden zonder recht of titel zijn opgenomen en dat deze derhalve aan de nalatenschap moeten worden vergoed. Vlak voor haar overlijden heeft erflaatster appellante een gouden ring met briljant geschonken. Opgenomen gelden een gift?
  6. Appellante is het er niet mee eens dat de rechtbank haar primaire vordering tot verdeling van de nalatenschap, waartoe volgens appellante ook de door geïntimeerden opgenomen gelden behoren, heeft afgewezen omdat appellante niet zou hebben bewezen dat geïntimeerden deze gelden onrechtmatig aan de boedel zouden hebben onttrokken.
  7. Volgens appellante hebben geïntimeerden, door te stellen dat ter zake de gelden sprake is van een schenking van erflaatster aan hen, een zelfstandig of bevrijdend verweer gevoerd, zodat de bewijslast op hen hoort te rusten. Nu geïntimeerden niet kunnen aantonen dat de desbetreffende bedragen – per persoon € 7.360,- – aan hen zijn geschonken, betekent dit dat zij de gelden zonder recht of titel tot zich hebben genomen. Zij zijn derhalve gehouden deze bedragen aan de boedel terug te betalen.
  8. Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
  9. Het hof is van oordeel dat de grief van appellante slaagt. Immers, vaststaat dat geïntimeerden,
    althans geïntimeerde sub 2 het bedrag van in totaal € 14.720,- heeft opgenomen en dat de gelden
    uiteindelijk in het bezit van geïntimeerden zijn gekomen, ieder een bedrag van € 7.360,-. In zoverre verschilt de onderhavige casuspositie van die waarop de door de rechtbank in haar vonnis van 21 mei 2014 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en conclusie van de A-G betrekking had. Het ging daar om een gemotiveerde betwisting van de gestelde toe-eigening van de opgenomen gelden.
    Geïntimeerden daarentegen erkennen dat zij ieder de helft van de opgenomen gelden in hun bezit hebben. Zij stellen echter dat erflaatster ieder van hen dat geld geschonken heeft, zodat sprake is van een gift, welke op grond van het testament van erflaatster niet in de nalatenschap hoeft te
    worden ingebracht. Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een zelfstandig of bevrijdend verweer (een ‘ja… maar’ verweer) waarbij de bewijslast op geïntimeerden komt te rusten.
  10. Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde sub 1 heeft in het geheel geen bewijsaanbod van de door hem gestelde titel (gift) gedaan en geïntimeerde sub 2 slechts een algemeen, niet specifiek bewijsaanbod. Nu het bewijsaanbod niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gaat het hof hieraan voorbij. Dit brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat geen sprake is geweest van een gift van erflaatster aan geïntimeerden en dat geïntimeerden zich de gelden zonder recht of
    titel, derhalve onrechtmatig, tijdens haar leven hebben toegeëigend en deze gelden bij wege van schadevergoeding in geld aan de gezamenlijke erfgenamen (de nalatenschap) moeten vergoeden. Wijziging van eis
  11. Appellante heeft in hoger beroep haar primaire vordering gewijzigd in die zin dat zij thans naast terugstorting van het bedrag van € 14.720,- in de nalatenschap van erflaatster tevens vergoeding van
    de wettelijke rente over dat bedrag vordert vanaf 22 maart 2011, de overlijdensdatum van erflaatster. Dit omdat sprake is geweest van een onrechtmatige daad aan de zijde van geïntimeerden.
  12. Geïntimeerde sub 2 heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de primaire vordering.
  13. Het hof stelt vast dat appellante haar eiswijziging in de memorie van grieven, tevens akte
    wijziging van eis, heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging. Het hof is voorts van oordeel dat geïntimeerden voldoende in
    de gelegenheid zijn geweest zich tegen de gewijzigde vorderingen te verweren, omdat zij in hun memories van antwoord op de stellingen van appellante hebben kunnen reageren. Gelet op het vorenstaande is de wijziging van de primaire vordering van appellante naar het oordeel van het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal in het navolgende derhalve overgaan tot beoordeling van die gewijzigde primaire vordering.
  14. Zoals hierboven onder rechtsoverweging 13 reeds is overwogen, is het zich zonder recht of titel toe-eigenen van de opgenomen gelden door geïntimeerden een onrechtmatige daad. Op grond van
    artikel 6:119 BW juncto artikel 6:83 letter b BW gaat de verschuldigde wettelijke rente dan lopen
    vanaf het moment dat de schadevergoedingsverbintenis opeisbaar is geworden, in casu met ingang
    van de datum waarop geïntimeerden zich de gelden onrechtmatig hebben toegeëigend. Nu appellante rente vordert met ingang van 22 maart 2011, de sterfdatum van erflaatster en deze datum is gelegen
    na de gestelde datum van de opname van gelden met de pinpas, zal het hof zich daarbij aansluiten. De gevorderde verdeling
  15. Appellante vordert verdeling van de nalatenschap van erflaatster en vaststelling van de wijze van verdeling. Het hof begrijpt dat zij hiermee een beroep doet op artikel 3:185 BW, welk artikel de
    mogelijkheid biedt een verdeling door de rechter te vorderen, in het geval dat deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen geraken over de verdeling.
  16. Gelet op de processtukken, is tussen partijen in confesso dat de te verdelen nalatenschap in ieder
    geval bestaat uit een banktegoed en contant geld, in totaal
    € 9.609,99. Op grond van hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 13 en 17 is overwogen, dient dit bedrag nog te worden verhoogd met de opgenomen gelden van in totaal € 14.720,-, alsmede
    met de wettelijk rente daarover met ingang van 22 maart 2011.
  17. Nu de nalatenschap eenvoudig te verdelen goederen betreft, is het hof van oordeel dat het hof de
    verdeling van de nalatenschap van erflaatster kan vaststellen, ondanks het feit dat gedaagde in eerste aanleg sub 3 door appellante niet in dit hoger beroep is betrokken.
  18. Naar het oordeel van het hof heeft het verdelingsgeschil een processueel ondeelbare
    rechtsverhouding tot voorwerp. Gedaagde in eerste aanleg sub 3 is immers ook in die
    rechtsverhouding betrokken. De beslissing ten aanzien van de procespartijen in hoger beroep mag niet afwijken van die ten opzichte van de gedaagde in eerste aanleg sub 3. Volgens vaste rechtspraak
    moet de appelrechter in het geval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding ambtshalve

oordelen dat zijn uitspraak mede gelding heeft ten gunste van een van de betrokken partijen uit de

eerste aanleg die niet zelf heeft geappelleerd.

  1. Het hof zal – met inachtneming van het vorenstaande en de vorderingen van appellante ter zake -de nalatenschap van erflaatster verdelen als hieronder in het dictum is weergegeven.
  2. Nu het hof oordeelt dat aan de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen niet de
    rechtsgrond gift ten grondslag heeft gelegen of een andere titel, komt het hof niet toe aan de (voorwaardelijke) subsidiaire vordering van appellante. De grieven die – zoals toegelicht -daarop
    betrekking hebben kunnen derhalve onbesproken blijven.
    Proceskosten
  3. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak, zal het hof de kosten van het geding
    in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden
    is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg terecht zijn gecompenseerd. De
    andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.
  4. Dit alles leidt tot de volgende beslissing, waarbij het hof de bestreden vonnissen om
    proceseconomische redenen geheel zal vernietigen.
    Het hof:
    vernietigt de bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende:
    veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot terugbetaling ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen
    aan de nalatenschap van erflaatster van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen van in totaal € 14.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;
    verdeelt de nalatenschap van erflaatster als volgt:
    deelt toe aan appellante een bedrag van € 6.082,49 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
    deelt toe aan geïntimeerde sub 1 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel
    van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
    deelt toe aan geïntimeerde sub 2 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel
    van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
    deelt toe aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
    veroordeelt geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3;
    Beslissing
    verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
    compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
    wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.
    Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.

terugvorderen schenking na overlijden
schenking vrij van inbreng en legitieme portie
inbreng schenking in nalatenschap
inbrengverplichting schenking
terugvorderen schenking na overlijden
schenking vrij van inbreng en legitieme portie
verrekening schenking bij erfenis

erfenis na overlijden beide ouders
schenking teruggeven aan ouders

Een erfenis aanvaarden of verwerpen?

1 Moet ik de erfenis aanvaarden?
En op welke wijze?

Als u op grond van de wet of door middel van een testament als erfgenaam bent aangewezen, is allereerst de vraag of u de erfenis wilt aanvaarden en zo ja, op welke wijze.

Als (eventuele) erfgenaam heeft u drie mogelijkheden:

  • Zuiver aanvaarden van de nalatenschap
  • Verwerpen van de nalatenschap
  • Beneficiair aanvaarden

Zuiver aanvaarden

Erfenis aanvaarden of verwerpen

Door zuiver te aanvaarden wordt u erfgenaam en treedt u (samen met uw mede-erfgenamen) in de rechten en plichten van de overledene.
Dit wordt in erfrechtelijke termen ook wel de “saisine” genoemd en vormt één van de basisbeginselen van het erfrecht: de erfgenamen zetten als het ware de positie van de erflater voort.
Dit betekent ook dat, in het geval dat er meer schulden dan bezittingen tot de nalatenschap behoren, u met uw privévermogen (mede-)aansprakelijk wordt voor de schulden.

“Een zuivere aanvaarding komt soms tot stand zonder er bij stil te staan.”

Het zuiver aanvaarden van de nalatenschap kan vorm vrij gebeuren door daar uitdrukkelijk een verklaring over af te leggen, maar kan ook worden afgeleid uit het feit dat iemand zich als erfgenaam gedraagt.
De wet spreekt van het zich gedragen als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam.

Per 1 september 2016 is de Wet “bescherming erfgenamen tegen schulden” in werking getreden.

Zoals uit de titel al blijkt is het daarvan de bedoeling om erfgenamen meer bescherming te bieden tegen schulden die verbonden zijn aan een erfenis.
Lees meer:  Per 1 september 2016 is de wet aangepast.

Een erfgenaam gedraagt zich als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zuiver aanvaard hebbende erfgenaam door goederen van de nalatenschap te verkopen, te bezwaren of door op andere wijze goederen van de nalatenschap aan het verhaal van schuldeisers te onttrekken.

Met deze nieuwe tekst is bedoeld een duidelijker onderscheid te maken tussen handelingen die strekken tot het beheren van de nalatenschap en het beschikken daarover. Op het moment dat iemand als “heer en meester” beschikt over de goederen van de nalatenschap door die bijvoorbeeld te verkopen, is dat een handeling die leidt tot zuivere aanvaarding.

Ten opzichte van de oude wettekst is er minder snel sprake van zuivere aanvaarding door ondoordachte handelingen.

Verwerpen van de nalatenschap

Erfenis aanvaarden of verwerpen

Na verwerping wordt u geacht nimmer erfgenaam te zijn geweest. U heeft dan geen enkele aanspraak op de erfenis – u verkrijgt niets – maar ook eventuele schulden van de nalatenschap kunnen niet op u worden verhaald.
Om een erfenis te verwerpen moet een speciale akte worden opgesteld bij de griffie van de rechtbank. Hier zijn kosten aan verbonden.

Beneficiaire aanvaarding

Erfenis aanvaarden of verwerpen

Als u beneficiair aanvaardt wordt u wel erfgenaam, maar bent u niet met uw eigen vermogen aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap. U wordt dan slechts aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap, voor zover er in die nalatenschap baten aanwezig zijn. Er wordt als het ware een muur opgetrokken tussen de erfenis en uw eigen privé-vermogen. Om een erfenis beneficiair te aanvaarden moet een speciale akte worden opgesteld bij de griffie van de rechtbank. Hier zijn kosten aan verbonden.

Bij een beneficiaire aanvaarding dienen er wel een aantal formaliteiten in acht te worden genomen, de wettelijke vereffeningsprocedure.

Verdere gevolgen van het aanvaarden of verwerpen van de erfenis

Als eenmaal zuiver is aanvaard, kan niet meer worden verworpen of andersom.
Slechts onder bijzondere omstandigheden kunt u een gemaakte keus ongedaan maken. Wordt u na een zuivere aanvaarding geconfronteerd met schulden van de erflater waardoor de erfenis een negatief saldo krijgt? Onderneem onmiddellijk actie en laat u goed adviseren.

2 Een van de erfgenamen weigert om een keus te maken, wat nu?

Als een (potentiële) erfgenaam geen keuze wil maken leidt dat vaak tot een impasse in de afwikkeling van de nalatenschap.
Bijvoorbeeld kan dan geen verklaring van erfrecht afgegeven worden door de notaris.


Als een erfgenaam weigert een keuze kenbaar te maken kan de kantonrechter worden gevraagd de betreffende erfgenaam een termijn te stellen waarbinnen de keus omtrent het aanvaarden van de nalatenschap moet worden gedaan. Als de erfgenaam die termijn laat verlopen dan wordt hij/zij geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard.

“Een eenmaal gemaakte keuze is onherroepelijk”

Een andere mogelijkheid is dat wanneer één van de erfgenamen beneficiair aanvaardt en de erfgenaam die nog geen keus heeft gemaakt daarvan in kennis wordt gesteld, ook hij of zij geacht wordt beneficiair te aanvaarden.
Dit laatste tenzij binnen 3 maanden na het bekend worden met de beneficiaire aanvaarding van de ene, de ander alsnog verwerpt of zuiver aanvaardt.

3 Wat gebeurt er met mijn erfdeel als ik verwerp?

Wanneer u uw erfdeel verwerpt, schuift uw erfdeel als het ware door naar de eerst volgende erfgenaam/erfgenamen die daarvoor in aanmerking komt/komen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval waar uw erfdeel terecht komt, onder andere van de vraag of er al dan niet een testament gemaakt is.

4 Kan ik een gedane keus ongedaan maken?

In beginsel is het antwoord nee.
Een eenmaal gemaakte keus om zuiver of beneficiair te aanvaarden of te verwerpen is onherroepelijk en kan niet ongedaan worden gemaakt.

Per 1 september 2016 is nieuwe wetgeving ingevoerd waarbij nieuwe regels zijn gesteld over het aanvaarden van een nalatenschap. Onderdeel daarvan is een nieuwe regel voor “onverwachte schulden”. Nadat een erfenis al is aanvaard komen erfgenamen soms onverwacht voor onaangename verassingen te staan
als achteraf blijkt dat de overledene veel meer schulden had dan verwacht.

De hoofdregel blijft dat een eenmaal gemaakte keus onherroepelijk is

Als er eenmaal zuiver is aanvaard, kun je niet alsnog de erfenis verwerpen of beneficiair aanvaarden. Echter, in het geval van onverwachte schulden is het nu mogelijk om met toestemming van de kantonrechter de zuivere aanvaarding om te zetten naar een beneficiaire aanvaarding, zodat de erfgenaam niet meer met privé-vermogen aansprakelijk is voor de schulden.

Het zal in de praktijk moeten blijken hoeveel toegevoegde waarde deze nieuwe regel heeft. Met name is nog niet duidelijk hoe de rechter om zal gaan met het begrip “onverwachte schuld”. In  praktijk blijkt dat de rechter wel kritisch is als het gaat om de vraag of de schuld daadwerkelijk “onverwacht” was voor de erfgenaam.


Santema Advocatuur is gespecialiseerd in Erfrecht.
Het kantoor richt zich 100% op alles wat met erfrecht te maken heeft.

Ook voor Agrarischerfrecht