Een erfenis aanvaarden?

1. Moet ik de erfenis aanvaarden? En op welke wijze?

Als u op grond van de wet of door middel van een testament als erfgenaam bent aangewezen, is allereerst de vraag of u de erfenis wilt aanvaarden en zo ja, op welke wijze.

Erfenis aanvaarden of verwerpen?

Als (eventuele) erfgenaam heeft u drie mogelijkheden:

  1. Zuiver aanvaarden van de nalatenschap
  2. Verwerpen van de nalatenschap
  3. Beneficiair aanvaarden

Erfenis aanvaarden of verwerpen. Er zijn drie mogelijkheden om een erfenis te aanvaarden.

Zuiver aanvaarden

Door zuiver te aanvaarden wordt u erfgenaam en treedt u (samen met uw mede-erfgenamen) in de rechten van de overleden persoon. De erfgenamen nemen alle rechten en plichten over van de overledene.

Dit betekent ook dat, in het geval dat er meer schulden dan bezittingen tot de nalatenschap behoren, u met uw privévermogen (mede-)aansprakelijk wordt voor de schulden.

Het zuiver aanvaarden van de nalatenschap kan vorm vrij gebeuren door daar uitdrukkelijk een verklaring over af te leggen, maar kan ook worden afgeleid uit het feit dat iemand zich als erfgenaam gedraagt.
De wet spreekt van het zich gedragen als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam.

Een zuivere aanvaarding komt soms tot stand zonder er bij stil te staan.

Per 1 september 2016 is de Wet “bescherming erfgenamen tegen schulden” in werking getreden. Zoals uit de titel al blijkt is het daarvan de bedoeling om erfgenamen meer bescherming te bieden tegen schulden die verbonden zijn aan een erfenis. Lees meer: Per 1 september 2016 is de wet aangepast. 

Een erfgenaam gedraagt zich als ondubbelzinnig en zonder voorbehoud zuiver aanvaard hebbende erfgenaam door goederen van de nalatenschap te verkopen, te bezwaren of door op andere wijze goederen van de nalatenschap aan het verhaal van schuldeisers te onttrekken.

Met deze nieuwe tekst is bedoeld een duidelijker onderscheid te maken tussen handelingen die strekken tot het beheren van de nalatenschap en het beschikken daarover. Op het moment dat iemand als “heer en meester” beschikt over de goederen van de nalatenschap door die bijvoorbeeld te verkopen, is dat een handeling die leidt tot zuivere aanvaarding.

Ten opzichte van de oude wettekst is er minder snel sprake van zuivere aanvaarding door ondoordachte handelingen.

Verwerpen van de nalatenschap

Na verwerping wordt u geacht nimmer erfgenaam te zijn geweest. U ontvangt dan niets en eventuele schulden van de nalatenschap kunnen niet op u worden verhaald.
Om een erfenis te verwerpen moet een speciale akte worden opgesteld bij de griffie van de rechtbank. Hier zijn kosten aan verbonden.

Beneficiaire aanvaarding

Als u beneficiair aanvaardt wordt u wel erfgenaam, maar bent u niet met uw eigen vermogen aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap. U wordt dan slechts aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap, voor zover er in die nalatenschap baten aanwezig zijn. Er wordt als het ware een muur opgetrokken tussen de erfenis en uw eigen privé-vermogen. Om een erfenis beneficiair te aanvaarden moet een speciale akte worden opgesteld bij de griffie van de rechtbank. Hier zijn kosten aan verbonden.

Bij een beneficiaire aanvaarding dienen er wel een aantal formaliteiten in acht te worden genomen, de wettelijke vereffeningsprocedure.

Verdere gevolgen van het aanvaarden of verwerpen

Een eenmaal gemaakte keuze is onherroepelijk. Als eenmaal zuiver is aanvaard, kan niet meer worden verworpen of andersom.
Slechts onder bijzondere omstandigheden kunt u een gemaakte keus ongedaan maken. Wordt u na een zuivere aanvaarding geconfronteerd met schulden van de erflater waardoor de erfenis een negatief saldo krijgt? Onderneem onmiddellijk actie en laat u goed adviseren.

 

2.
Een van de erfgenamen weigert om een keus te maken, wat nu?

Als een (potentiële) erfgenaam geen keuze wil maken leidt dat vaak tot een impasse in de afwikkeling van de nalatenschap.

Bijvoorbeeld kan dan geen verklaring van erfrecht afgegeven worden door de notaris.

Als een erfgenaam weigert een keuze kenbaar te maken kan de kantonrechter worden gevraagd de betreffende erfgenaam een termijn te stellen waarbinnen de keus omtrent het aanvaarden van de nalatenschap moet worden gedaan. Als de erfgenaam die termijn laat verlopen dan wordt hij/zij geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard.

3.
Wat gebeurt er met mijn erfdeel als ik verwerp?

Wanneer u uw erfdeel verwerpt, schuift uw erfdeel als het ware door naar de eerst volgende erfgenaam/erfgenamen die daarvoor in aanmerking komt/komen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval waar uw erfdeel terechtkomt, onder andere van de vraag of er al dan niet een testament gemaakt is.

4.
Kan ik een gedane keus ongedaan maken?

 

In beginsel is het antwoord nee. Een eenmaal gemaakte keus om zuiver of beneficiair te aanvaarden of te verwerpen is onherroepelijk en kan niet ongedaan worden gemaakt.

Per 1 september 2016 is nieuwe wetgeving ingevoerd waarbij nieuwe regels zijn gesteld over het aanvaarden van een nalatenschap. Onderdeel daarvan is een nieuwe regel voor “onverwachte schulden”. Nadat een erfenis al is aanvaard komen erfgenamen soms onverwacht voor onaangename verassingen te staan als achteraf blijkt dat de overledene veel meer schulden had dan verwacht.

De hoofdregel blijft dat een eenmaal gemaakte keus onherroepelijk is. Als er eenmaal zuiver is aanvaard, kun je niet alsnog de erfenis verwerpen of beneficiair aanvaarden. Echter, in het geval van onverwachte schulden is het nu mogelijk om met toestemming van de kantonrechter de zuivere aanvaarding om te zetten naar een beneficiaire aanvaarding, zodat de erfgenaam niet meer met privé-vermogen aansprakelijk is voor de schulden.

Het zal in de praktijk moeten blijken hoeveel toegevoegde waarde deze nieuwe regel heeft. Met name is nog niet duidelijk hoe de rechter om zal gaan met het begrip “onverwachte schuld”. In  praktijk blijkt dat de rechter wel kritisch is als het gaat om de vraag of de schuld daadwerkelijk “onverwacht” was voor de erfgenaam.

Wiebren Santema erfrecht advocaat

Heeft u een vraag waar u graag antwoord op wilt hebben?
Stel hier uw erfenis vraag.

 

 

Agrarisch erfrecht

Met “agrarisch erfrecht” wordt gedoeld op een erfenis waarin sprake is van een agrarisch bedrijf dat binnen familieverband moet worden overgedragen of een bedrijf dat in voorgaande jaren al overgedragen is.

 

Het klassieke voorbeeld is dat van de boerderij die van vader op zoon wordt overgedragen.

Binnen familieverband kan een dergelijke bedrijfsoverdracht de nodige vragen oproepen. Het is niet ongebruikelijk dat de bedrijfsopvolger het bedrijf overneemt tegen betaling van de zogenaamde “agrarische waarde”. Met agrarische waarde wordt gedoeld op een prijs die de bedrijfsopvolger in staat stelt om het bedrijf nog juist lonend voort te kunnen voortzetten. Meestal is eend dergelijke waarde lager dan de waarde van het bedrijf in het economisch verkeer, bijvoorbeeld de prijs die een derde partij zou betalen of een verkoopopbrengst die zou kunnen worden gerealiseerd bij liquidatie van het bedrijf.

Binnen gezinsverband kan de overname van het familiebedrijf de nodige spanningen en vragen oproepen.

Als de bedrijfsopvolger het volle pond zou moeten betalen bij overname van het bedrijf, zal dat vaak betekenen dat overname niet mogelijk is en dat het familiebedrijf moet worden beëindigd. Anderzijds zullen de andere kinderen soms het gevoel hebben dat de broer/zus het bedrijf voor een zacht prijsje heeft overgenomen.

De term “agrarisch erfrecht” zou de indruk kunnen wekken dat er sprake is van bijzondere regelgeving die afwijkt van het gewone erfrecht als het gaat om bedrijfsovernames van agrarische bedrijven. Dat is niet het geval. Wel zijn er in de jurisprudentie richtlijnen ontwikkeld omtrent het hanteren van de agrarische waarde in het kader van bedrijfsovernames.

 

Het hanteren van de agrarische waarde bij een bedrijfsovername vormt onder specifieke omstandigheden geen inbreuk op de legitieme rechten van de andere kinderen.

 

agrarisch

 


Publicatie van een  agrarisch recht zaak uit de praktijk van mr. Santema

InstantieRechtbank Noord-Nederland Datum uitspraak22-10-2014 Datum publicatie 23-10-2014 Zaaknummer C-17-130666 – HA ZA 13-333
Rechtsgebieden Burgerlijk procesrecht.
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg enkelvoudig.
Inhoudsindicatie

Erfrecht, bedrijfsoverdracht tegen agrarische waarde vanuit vader-zoon maatschap; geen gift die bij afwikkeling nalatenschap in aanmerking moet worden genomen.

VindplaatsenRechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0105

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht

De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie
de conclusie van dupliek in reconventie
de rolbeslissing waarbij het verzoek om een comparitie van partijen te houden, is afgewezen.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten
2.1.
[A] en [B] zijn – tezamen met hun andere broer en zus – kinderen van [C] (hierna: vader) en [D] (hierna: moeder). Vader en moeder waren in algemene gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.
[B] en vader hebben vanaf 1 januari 1998 een veehouderijbedrijf in maatschapsverband uitgeoefend; [B] was bij aanvang 20 jaar en vader 65 jaar.

2.3.
In de maatschapsakte van 4 juli 2000 zijn de bepalingen waaronder deze maatschap is aangegaan vastgelegd. Vader heeft onder meer het gebruik en genot van de hem toebehorende bedrijfsgebouwen, weilanden en melkquotum in de maatschap ingebracht. In artikel 17 van de maatschapsakte is een voortzettingsbeding vastgelegd, waarin – voor zover van belang – het volgende is bepaald:

17.02
Indien er sprake is van het eindigen van de maatschap gelden de navolgende bepalingen:

17.02-a De voortzettende vennoot heeft het recht de tot het maatschapsvermogen behorende gemeenschapsgoederen krachtens verdeling aan zich toe te delen. (…) De voortzettende vennoot dient (…) de waarde van het aandeel van de niet-voortzettende vennoot in die gemeenschapsgoederen, in geld uit te keren aan de niet-voortzettende vennoot. De waarde van dat aandeel is gelijk aan de kapitaaldeelname van de niet-voortzettende vennoot in het bedrijf van de maatschap, zoals dit blijkt uit de balans van het bedrijf van de maatschap op het moment van het einde van de maatschap. De zaken en vermogensrechten, alsmede de bestaande verplichtingen, worden op deze balans opgevoerd tegen prijzen die overeenkomen met de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening, welke aan die zaken, rechten en verplichtingen naar hun feitelijke toestand op het tijdstip van het einde van de maatschap kan worden toegekend. Om de bedrijfscontinuïteit te waarborgen worden rechten welke al dan niet zakelijke rechten zijn als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek en andere immateriële activa, gewaardeerd op de fiscale boekwaarde.

(…)

17.02-c De voortzettende vennoot die krachtens het sub a bepaalde het toedelingsrecht uitoefent heeft het recht om de eigendom van de zaken en de aanspraken met betrekking tot de vermogensrechten, waarvan door de niet-voortzettende vennoot het gebruik en genot in de maatschap is ingebracht, vrij en onbezwaard van de niet-voortzettende vennoot over te nemen. De overname geschiedt tegen prijzen die overeenkomen met de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening, welke aan die zaken en vermogensrechten naar hun feitelijke toestand op het moment van levering kan worden toegekend.

Om de bedrijfscontinuïteit te waarborgen worden de onroerende zaken gewaardeerd tegen de waarde welke de Grondkamer bij veronderstelde uitoefening van het voorkeursrecht als bedoeld in artikel 56a e.v. Pachtwet, daaraan zou toekennen, dan wel, indien de fiscale boekwaarde van die onroerende zaken hoger is, die fiscale boekwaarde. (…)

Om de bedrijfscontinuïteit te waarborgen worden rechten inzake het produceren van mest als bedoeld in de Meststoffenwet en rechten op levering van referentiehoeveelheid melk als bedoeld in de Regeling superheffing 1993 en rechten welke al dan niet zakelijke rechten zijn als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek en andere immateriële activa gewaardeerd op de fiscale boekwaarde. (…)

17.02-d Indien het echter de vennoot sub 2 [toevoeging rechtbank: [B]] is die het voortzettingsrecht uitoefent worden de landerijen gewaardeerd tegen een bedrag van f 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend gulden) per hectare; de gebouwen worden gewaardeerd tegen een bedrag van f 430.000 (zegge: vierhonderddertigduizend gulden); na de overdracht dient voor de vennoot sub 1 [toevoeging rechtbank: de vader] minimaal f 450.000 (zegge: vierhonderdvijftigduizend gulden) te resteren aan netto contante middelen na aftrek van nog door hem te betalen bedrijfsschulden en belastingen, tenzij partijen bij de overdracht in onderling goedvinden anders overeenkomen.

2.4.
Moeder is overleden op [datum]. Vader en de vier kinderen zijn haar erfgenamen. De nalatenschap van moeder is krachtens het versterferfrecht afgewikkeld.

Publicatie van een  agrarisch recht zaak uit de praktijk van mr. Santema is te vinden op

rechtspraak uitspraak Agrarisch recht.

Locatie Leeuwarden

 

Voor vragen en advies over agrarisch erfrecht kunt u altijd vrijblijvend contact opnemen.


 

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch?

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch?

Schenkingen tussen ouders en kinderen zijn de normaalste zaak van de wereld.  Onder het motto: “beter met de warme dan met de koude hand” bieden ouders hun kinderen vaak financiële ondersteuning.

Toch zijn er situaties waarin deze vrijgevigheid een ongemakkelijk gevoel oplevert. Berichten over financieel ouderenmisbruik zijn aan de orde van de dag. Naar schatting waren er in 2009 ongeveer 30.000 ouderen slachtoffer van financieel misbruik. De meeste daders behoren tot de familiekring van het slachtoffer.

Bewijslast

Als het gaat om schenkingen is vaak het motto: “eens gegeven blijft gegeven”, maar wat als een schenking tegen de zin van de gever tot stand is gekomen? Of een geldbedrag al dan niet vrijwillig is afgestaan door de gever zal vaak ontaarden in een welles-nietes discussie, vaak ook omdat dergelijke afspraken in besloten kring worden gemaakt en er niets over op papier wordt gezet.

Daarmee ontstaat vaak een bewijsprobleem, want degene die moet aantonen of er wel of geen schenkingsafspraak is gemaakt zal dat vaak niet kunnen aantonen. Als bijvoorbeeld de schenkende partij het geschonken bedrag terug wil vorderen, zal de schenker moeten aantonen dat de schenkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is.

Misbruik van omstandigheden

Maar de wet komt degene die slachtoffer is geworden van misbruik van omstandigheden te hulp en geeft een bijzondere bewijslastverdeling bij dit soort discussies. Op het moment dat een schenking tot stand is gekomen op basis van misbruik van omstandigheden, is het aan de ontvangende partij om te bewijzen dat dit niet het geval is geweest.

Niet alle bewijsproblemen omtrent schenkingen kunnen op deze manier worden opgelost. Soms komt pas na het overlijden van vader of moeder aan het licht dat er geld is verdwenen, zoals in de navolgende zaak waar mr. W.S. Santema bij was betrokken.

Uitspraak Hof Den Haag 24 mei 2016

Na het overlijden van haar moeder kreeg  de dochter het gevoel dat er iets niet klopte.

Er bleek veel minder spaargeld te zijn dan er volgens haar zou moeten zijn.  Na lang aandringen bleek dat twee broers in de dagen voor het overlijden van moeder een groot deel van het spaargeld hadden opgenomen. De broers stelden zich op het standpunt dat moeder dit geld aan hen had geschonken. Enig bewijs voor deze schenking konden zij niet leveren – maar ook de dochter kon andersom niet aantonen dat het niet zo was gegaan.

Er ontstond een juridische strijd over wie van de partijen nu eigenlijk moet aantonen dat er wel of geen schenking was gedaan door moeder op haar sterfbed. De rechtbank vond dat het aan de dochter was om aan te tonen dat er geen sprake was van een schenking.

In hoger beroep besliste het Hof dat de broers het bewijs moesten leveren dat er sprake was van een schenking. Omdat dit bewijs niet kon worden geleverd, moest het geld terug in de erfenis worden gebracht.

 

 

Wilt u meer weten over het erfrecht?

Of vrijblijvend van gedachten wisselen?

Neem contact op met mr. W.S. (Wiebren) Santema

Afdeling erfrecht:
Tel: 088 – 5159099

Erfrecht


 

Er is discussie over de rechtsgeldigheid van een schenking. Hoe zit dat juridisch? En de gehele uitspraak op pdf  → klik hier

 

bewijslast_ rechtsgeldigheid van schenking

 

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
200.171.269/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap.

Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.171.269/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/446105/HA ZA 13-749

arrest van 24 mei 2016

inzake

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: appellante,

advocaat: mr. W.S. Santema te Sneek,

tegen

1. [de stiefzoon] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde sub 1,

advocaat: mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer,

2. [zoon een] ,

wonende te Nieuwerbrug aan den Rijn, gemeente Bodegraven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr M.P.J. Frederiks te Woerden,

hierna tezamen ook: geïntimeerden.

Het geding

Bij exploot van 2 juni 2015 is [de dochter] in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de rechtbank Den Haag op 18 december 2013, 21 mei 2014, 12 november 2014 en 8 april 2015 tussen:

  • appellante als eiseres in conventie en gedaagde in de door geïntimeerde 2 ingestelde voorwaardelijke reconventie,
  • geïntimeerde sub 1 als gedaagde,
  • geïntimeerde sub 2 als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie en

– [zoon twee] , wonende te [woonplaats] , niet verschenen gedaagde, tegen wie verstek is verleend, hierna: gedaagde in eerste aanleg sub 3,

gewezen, hierna aan te duiden als: de bestreden vonnissen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank Den Haag daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld

Bij memorie van grieven, tevens akte van wijziging eis, heeft appellante vier grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 2 de grieven alsmede de wijziging van eis bestreden.

Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde 1 de grieven alsmede de wijziging van eis eveneens bestreden.

Partijen hebben arrest gevraagd en ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het vonnis van 21 mei 2014 zijn vastgesteld.

2. Bij het (eind)vonnis van 8 april 2015:

  • is bepaald dat de resterende legitieme vordering van appellante € 2.721,16 bedraagt;
  • is bepaald dat deze resterende legitieme vordering uit de nalatenschap van [de moeder] (hierna: erflaatster) moet worden voldaan;
  • is de nalatenschap van erflaatster als volgt verdeeld:

– aan geïntimeerde sub 1 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27

– aan geïntimeerde sub 2 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27

– aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 is een bedrag toegedeeld van € 2.295,27;

– zijn geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) veroordeeld ervoor zorg te dragen dat aan appellante het bedrag van € 2.721,16 ter zake van haar resterende legitieme vordering wordt betaald.

Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Voorts is appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar louter ten behoeve van gedaagde in eerste aanleg sub 3 ingestelde vorderingen.

De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. Appellante vordert dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen gewezen bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw recht doende, zulks met aanvulling en/of verbetering van gronden, de vorderingen van appellante alsnog toewijst en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en de wijze van verdeling vaststelt, en daarbij bepaalt dat:

geïntimeerden hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling aan de boedel van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen ad totaal € 14.720,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

  • het in totaal tussen de erfgenamen te verdelen bedrag in contanten daarmee
    € 24.329,99 zal bedragen, waartoe iedere deelgenoot tot een gelijk deel ad
    € 6.082,50 gerechtigd is, te vermeerderen met ieder 1/4e deel van de door geïntimeerden verschuldigde wettelijke rente;
  • geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk te veroordelen (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,

 

indien de rechtbank, het hof begrijpt: het hof, van oordeel mocht zijn dat de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen als een schenking of een gift moeten worden beschouwd, vordert appellante verdeling van de nalatenschap met een (aanvullend) beroep op haar legitieme. Appellante verzoekt het hof, het hof begrijpt: vordert, de verdeling van de nalatenschap van erflaatster in goede justitie vast te stellen, en daarbij

– de legitieme van appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 op basis van:

– het saldo van de ervenrekening en contanten ad € 9.609,99

– de door geïntimeerden opgenomen bedragen ad totaal € 14.720,-

– de door appellante ontvangen ring ad € 1.600,-

– de waarde van de door geïntimeerden behouden sieraden, bestaande uit een gouden slavenarmband met briljanten, gouden oorknopjes met bloedkoralen, een gouden ring met bloedkoralen (passend bij de oorbellen), een gouden halsketting met hanger en een gouden horloge, waarvan de waarde alsdan middels een door het hof aan te wijzen taxateur zal worden vastgesteld;

– geïntimeerden (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) te veroordelen om zorg te dragen voor betaling van de bedragen die verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3 en – indien blijkt dat de legitieme porties niet (volledig) kunnen worden voldaan uit de in de boedel aanwezige contanten en tegoeden – hen hoofdelijk te veroordelen om op basis van inkorting het restant te voldoen aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3,

zowel primair als subsidiair

geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.

4. Geïntimeerde sub 2 concludeert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar grieven en vorderingen af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden vonnissen en appellante te veroordelen in de kosten van beide instanties, dan wel de procedure in hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag der voldoening, alsmede met veroordeling van appellante in de nakosten ad € 131,- dan wel, indien betekening van het arrest plaatsvindt, ad € 199,- en de eventuele verdere executiekosten.

Indien en voor zover het hof redenen mocht zien de (resterende) legitieme vordering van appellante opnieuw vast te stellen verzoekt, het hof begrijpt: vordert, geïntimeerde sub 2 dat het hof hierbij rekening houdt met het huidig batig saldo van de nalatenschap ad € 9.579,56.

5. Geïntimeerde sub 1 concludeert te bekrachtigen de vonnissen waarvan beroep en appellante te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Het geschil

6. In geschil zijn de verdeling van de nalatenschap van erflaatster en het aanvullend beroep van appellante op haar legitieme portie.

Achtergrond

7. Appellante, geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn kinderen van erflaatster. Geïntimeerde sub 2 en gedaagde in eerste aanleg sub 3 zijn broers van appellante. Geïntimeerde sub 1 is de zoon van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster. Erflaatster heeft bij testament haar kinderen en de zoon van haar echtgenoot benoemd tot haar erfgenamen, ieder voor een gelijk deel van haar nalatenschap. Tevens is in het testament bepaald dat de afstammelingen van erflaatster zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng van giften in haar nalatenschap, tenzij bij een gift schriftelijk anders is bepaald.

8. Kort voor het overlijden van erflaatster op 22 maart 2011, heeft geïntimeerde sub 2 op verschillende tijdstippen op 18 maart en 21 maart 2011 een bedrag van in totaal € 14.720,- opgenomen met de pinpas van erflaatster. Volgens geïntimeerden – die in haar laatste levensjaren voor erflaatster hebben gezorgd – heeft erflaatster daarna ieder van hen afzonderlijk bij zich geroepen om vervolgens ieder de helft van het opgenomen geld te overhandigen wegens de door geïntimeerden aan haar bewezen diensten. Appellante is van mening dat de gelden zonder recht of titel zijn opgenomen en dat deze derhalve aan de nalatenschap moeten worden vergoed. Vlak voor haar overlijden heeft erflaatster appellante een gouden ring met briljant geschonken.

Opgenomen gelden een gift?

9. Appellante is het er niet mee eens dat de rechtbank haar primaire vordering tot verdeling van de nalatenschap, waartoe volgens appellante ook de door geïntimeerden opgenomen gelden behoren, heeft afgewezen omdat appellante niet zou hebben bewezen dat geïntimeerden deze gelden onrechtmatig aan de boedel zouden hebben onttrokken.

10. Volgens appellante hebben geïntimeerden, door te stellen dat ter zake de gelden sprake is van een schenking van erflaatster aan hen, een zelfstandig of bevrijdend verweer gevoerd, zodat de bewijslast op hen hoort te rusten. Nu geïntimeerden niet kunnen aantonen dat de desbetreffende bedragen – per persoon € 7.360,- – aan hen zijn geschonken, betekent dit dat zij de gelden zonder recht of titel tot zich hebben genomen. Zij zijn derhalve gehouden deze bedragen aan de boedel terug te betalen.

11. Geïntimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

12. Het hof is van oordeel dat de grief van appellante slaagt. Immers, vaststaat dat geïntimeerden, althans geïntimeerde sub 2 het bedrag van in totaal € 14.720,- heeft opgenomen en dat de gelden uiteindelijk in het bezit van geïntimeerden zijn gekomen, ieder een bedrag van € 7.360,-. In zoverre verschilt de onderhavige casuspositie van die waarop de door de rechtbank in haar vonnis van 21 mei 2014 aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en conclusie van de A-G betrekking had. Het ging daar om een gemotiveerde betwisting van de gestelde toe-eigening van de opgenomen gelden. Geïntimeerden daarentegen erkennen dat zij ieder de helft van de opgenomen gelden in hun bezit hebben. Zij stellen echter dat erflaatster ieder van hen dat geld geschonken heeft, zodat sprake is van een gift, welke op grond van het testament van erflaatster niet in de nalatenschap hoeft te worden ingebracht. Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een zelfstandig of bevrijdend verweer (een ‘ja… maar’ verweer) waarbij de bewijslast op geïntimeerden komt te rusten.

13. Het hof overweegt voorts als volgt. Geïntimeerde sub 1 heeft in het geheel geen bewijsaanbod van de door hem gestelde titel (gift) gedaan en geïntimeerde sub 2 slechts een algemeen, niet specifiek bewijsaanbod. Nu het bewijsaanbod niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, gaat het hof hieraan voorbij. Dit brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat geen sprake is geweest van een gift van erflaatster aan geïntimeerden en dat geïntimeerden zich de gelden zonder recht of titel, derhalve onrechtmatig, tijdens haar leven hebben toegeëigend en deze gelden bij wege van schadevergoeding in geld aan de gezamenlijke erfgenamen (de nalatenschap) moeten vergoeden.

Wijziging van eis

14. Appellante heeft in hoger beroep haar primaire vordering gewijzigd in die zin dat zij thans naast terugstorting van het bedrag van € 14.720,- in de nalatenschap van erflaatster tevens vergoeding van de wettelijke rente over dat bedrag vordert vanaf 22 maart 2011, de overlijdensdatum van erflaatster. Dit omdat sprake is geweest van een onrechtmatige daad aan de zijde van geïntimeerden.

15. Geïntimeerde sub 2 heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de primaire vordering.

16. Het hof stelt vast dat appellante haar eiswijziging in de memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, heeft opgenomen en toegelicht. Het geding in hoger beroep wordt in zoverre dan ook niet vertraagd door de eiswijziging. Het hof is voorts van oordeel dat geïntimeerden voldoende in de gelegenheid zijn geweest zich tegen de gewijzigde vorderingen te verweren, omdat zij in hun memories van antwoord op de stellingen van appellante hebben kunnen reageren. Gelet op het vorenstaande is de wijziging van de primaire vordering van appellante naar het oordeel van het hof niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal in het navolgende derhalve overgaan tot beoordeling van die gewijzigde primaire vordering.

17. Zoals hierboven onder rechtsoverweging 13 reeds is overwogen, is het zich zonder recht of titel toe-eigenen van de opgenomen gelden door geïntimeerden een onrechtmatige daad. Op grond van artikel 6:119 BW juncto artikel 6:83 letter b BW gaat de verschuldigde wettelijke rente dan lopen vanaf het moment dat de schadevergoedingsverbintenis opeisbaar is geworden, in casu met ingang van de datum waarop geïntimeerden zich de gelden onrechtmatig hebben toegeëigend. Nu appellante rente vordert met ingang van 22 maart 2011, de sterfdatum van erflaatster en deze datum is gelegen na de gestelde datum van de opname van gelden met de pinpas, zal het hof zich daarbij aansluiten.

De gevorderde verdeling

18. Appellante vordert verdeling van de nalatenschap van erflaatster en vaststelling van de wijze van verdeling. Het hof begrijpt dat zij hiermee een beroep doet op artikel 3:185 BW, welk artikel de mogelijkheid biedt een verdeling door de rechter te vorderen, in het geval dat deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen geraken over de verdeling.

19. Gelet op de processtukken, is tussen partijen in confesso dat de te verdelen nalatenschap in ieder geval bestaat uit een banktegoed en contant geld, in totaal
€ 9.609,99. Op grond van hetgeen hiervoor onder de rechtsoverwegingen 13 en 17 is overwogen, dient dit bedrag nog te worden verhoogd met de opgenomen gelden van in totaal € 14.720,-, alsmede met de wettelijk rente daarover met ingang van 22 maart 2011.

20. Nu de nalatenschap eenvoudig te verdelen goederen betreft, is het hof van oordeel dat het hof de verdeling van de nalatenschap van erflaatster kan vaststellen, ondanks het feit dat gedaagde in eerste aanleg sub 3 door appellante niet in dit hoger beroep is betrokken.

21. Naar het oordeel van het hof heeft het verdelingsgeschil een processueel ondeelbare rechtsverhouding tot voorwerp. Gedaagde in eerste aanleg sub 3 is immers ook in die rechtsverhouding betrokken. De beslissing ten aanzien van de procespartijen in hoger beroep mag niet afwijken van die ten opzichte van de gedaagde in eerste aanleg sub 3. Volgens vaste rechtspraak moet de appelrechter in het geval van een processueel ondeelbare rechtsverhouding ambtshalve oordelen dat zijn uitspraak mede gelding heeft ten gunste van een van de betrokken partijen uit de eerste aanleg die niet zelf heeft geappelleerd.

22. Het hof zal – met inachtneming van het vorenstaande en de vorderingen van appellante ter zake – de nalatenschap van erflaatster verdelen als hieronder in het dictum is weergegeven.

23. Nu het hof oordeelt dat aan de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen niet de rechtsgrond gift ten grondslag heeft gelegen of een andere titel, komt het hof niet toe aan de (voorwaardelijke) subsidiaire vordering van appellante. De grieven die – zoals toegelicht -daarop betrekking hebben kunnen derhalve onbesproken blijven.

Proceskosten

24. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak, zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden is het hof van oordeel dat de proceskosten in eerste aanleg terecht zijn gecompenseerd. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

25. Dit alles leidt tot de volgende beslissing, waarbij het hof de bestreden vonnissen om proceseconomische redenen geheel zal vernietigen.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk tot terugbetaling ten behoeve van de gezamenlijke erfgenamen aan de nalatenschap van erflaatster van de door geïntimeerden tot zich genomen bedragen van in totaal € 14.720,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2011 tot aan de dag van betaling;

verdeelt de nalatenschap van erflaatster als volgt:

  • deelt toe aan appellante een bedrag van € 6.082,49 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • deelt toe aan geïntimeerde sub 1 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • deelt toe aan geïntimeerde sub 2 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;
  • deelt toe aan gedaagde in eerste aanleg sub 3 een bedrag van € 6.082,50 te vermeerderen met een/vierde deel van de door geïntimeerden verschuldigde rente;

veroordeelt geïntimeerden gezamenlijk doch ook ieder afzonderlijk (als gemachtigden tot de rekening van erflaatster) tot betaling van de bedragen die uit hoofde van deze verdeling verschuldigd zijn aan appellante en gedaagde in eerste aanleg sub 3;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en A.H.N. Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016 in aanwezigheid van de griffier.

Mijn ouders hebben schenkingen gedaan, welke invloed heeft dat op de erfenis?

Mijn ouders hebben schenkingen gedaan, welke invloed heeft dat op de erfenis?

Giften kunnen op twee gronden een rol spelen bij de afwikkeling van nalatenschappen, namelijk op grond van inbreng en op grond van de legitieme.

 

Ouders voelen vaak de morele plicht om hun kinderen gelijk te behandelen en ook de kinderen zelf ervaren dat vaak als een vanzelfsprekendheid. Toch  is er geen wettelijke verplichting op grond waarvan ouders verplicht zijn om hun kinderen gelijk te bedelen en/of aan alle kinderen evenveel na te laten. Er kunnen daarom door allerlei redenen een verschillen ontstaan tussen wat het ene en het andere kind van vader en moeder heeft gekregen.

Inbreng

Eens gegeven blijft gegeven is sinds 2003 het wettelijke uitgangspunt. Voor 2003 was dat anders en was inbreng de hoofdregel.

Inbreng betekent dat de gedane gift moet worden beschouwd als een voorschot op de erfenis. Bij de verdeling wordt daarom de gift als het ware afgetrokken van het erfdeel van de ontvanger.

De regeling van inbreng heeft echter een beperkte betekenis. Alleen giften die zijn gedaan aan afstammelingen (kinderen) hoeven te worden ingebracht. Met de invoering van het nieuwe erfrecht is inbreng bovendien alleen nog verplicht als dit uitdrukkelijk door de gever voorgeschreven is. Bovendien gaat inbreng niet zover dat de begiftigde partij daadwerkelijk geld terug in de boedel moet brengen, diens erfdeel wordt hooguit teruggebracht tot nihil.

Alleen giften die zijn gedaan vóór inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht vallen nog onder het oude regime. Schenkingen van voor 1 januari 2003 dienen te worden ingebracht, tenzij reeds bij die schenking de inbrengverplichting werd uitgesloten of tenzij er geen inbrengverplichting bestaat op grond van een testamentaire regeling.

Inbreng heeft daarom in de huidige praktijk nog maar een beperkte betekenis.

Dus ook als het ene kind meer schenkingen heeft gehad dan het andere, hoeft dat niet te worden verrekend bij het verdelen van de erfenis. Toch is er wel een wettelijke ondergrens aan deze ongelijkheid, en dat is het recht op de legitieme.

Legitieme portie

Ieder kind heeft recht op een minimum erfdeel als het gaat om de nalatenschap van diens ouders, de zogenaamde legitieme portie. De legitieme portie is het gedeelte van de waarde van het vermogen van uw ouders waar een kind altijd recht op heeft, ongeacht de inhoud van het testament en in weerwil van gedane giften.

Als giften dusdanig groot zijn dat uw erfdeel daardoor lager uitvalt dan de legitieme, moet uw erfdeel worden aangevuld tot de legitieme. Eventueel kan de gedane gift worden ingekort, de ontvanger van de gift moet dan een deel van gift teruggeven.

 

 

 

 


Gerechtshof Den Haag.
Datum uitspraak 24-05-2016
Datum publicatie 03-06-2016
Zaaknummer 200.171.269/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie:

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Omvang legitieme portie. Vraag of opgenomen gelden al of niet een gift zijn (geweest). Erkenning dat geld is opgenomen, maar ten titel van schenking is een ja.. maar verweer. Geen specifiek bewijsaanbod ter zake deze titel (gift) gedaan. Onrechtmatige toe-eigening van gelden noopt tot schadevergoeding aan de gezamenlijke erfgenamen (nalatenschap). Wettelijke rente. Vordering tot verdeling.

Rechtspraak.nl


Zie voor nadere informatie de onderwerpen over legitieme portie.

Medisch dossier opvragen bij wilsonbekwaamheid ten tijde van het maken van een testament ondanks beroepsgeheim arts.

Ik wil het medisch dossier opvragen van mijn vader/moeder omdat ik vermoed dat hij/zij medisch gezien niet in staat was een testament te maken. Kan dat?

Medisch dossier:

Dit is een in de praktijk veel voorkomende vraag. Als na het overlijden blijkt dat iemand een testament heeft gemaakt terwijl je sterke twijfels had of diegene wel in staat was om dat te doen, wordt vaak de behoefte gevoeld hier navraag over te doen.

Bijvoorbeeld kan de huisarts of een andere behandelende arts worden gevraagd om inzage in het medisch dossier.

Een arts kan en mag echter niet zomaar een verklaring afleggen of inzage verlenen vanwege de geheimhoudingsplicht die hij heeft omtrent de gegevens van zijn patiënten.

De verplichting tot geheimhouding wordt niet opgeheven door het overlijden van de patiënt.

Dus ook na het overlijden blijft de arts gebonden aan zijn geheimhoudingsverplichting.
Deze verplichting is wettelijk vastgelegd. Bovendien mag een arts op grond van de wet ook in het kader van een gerechtelijke procedure zich beroepen op een verschoningsrecht. Dat betekent dat een arts geen verklaring hoeft af te leggen.
Het verschoningsrecht is gebaseerd op de gedachte dat een ieder zich voor bijstand en advies tot een hulpverlener moet kunnen wenden zonder ervoor te vrezen dat de inhoud hiervan aan derden bekend wordt. Het recht op privacy wordt als een zwaarwegend belang beschouwd.

Onder omstandigheden kunnen hier uitzonderingen op worden gemaakt.

 

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2001 geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht kan worden doorbroken:

  1. wanneer er zwaarwegende aanwijzingen bestaan dat de erflater niet over zijn verstandelijke vermogens beschikte en niet bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten;
  2. aannemelijk is dat het medisch dossier daarover opheldering zal kunnen geven;
  3. terwijl deze opheldering niet op andere wijze verkregen kan worden.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een rechter een arts verplichten tot het vrijgeven van het medisch dossier. In de praktijk komt dit maar zeer zelden voor, rechters zijn over het algemeen zeer kritisch en terughouden bij het doorbreken van de geheimhoudingsplicht van een arts. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wordt er door de rechter geoordeeld dat een arts zich niet kan beroepen op zijn geheimhoudingsplicht.

Of er inderdaad sprake is van zwaarwegende aanwijzingen is, is een afweging van feitelijke aard.
Het is met andere woorden sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval of het mogelijk is om inzage te krijgen in het medisch dossier.

 

Mr. W. S.  Santema kan u adviseren en bijstaan in deze gevallen.

Wiebren Santema heeft een ruime ervaring met discussies over geheimhoudingsverplichingen. Hij heeft met succes procedures gevoerd over het verlenen van inzage in medische dossiers en dossiers van notarissen.


HEEFT U EEN VRAAG OVER ERFRECHT?

Wilt u meer weten over het erfrecht? Of vrijblijvend van gedachten wisselen?

mr. W.S. (Wiebren)Santema geeft u graag advies!
Persoonlijk via de telefoon, mail, online of op kantoor.

Neem vandaag contact op.

Advocatenkantoor Defenz Advocaten
Afdeling erfrecht:

Tel:   088 –  5159099
e-mailinfo@defenz.nl

Of maak gebruik van het gratis spreekuur.

 

 


Is er een verjaringstermijn voor het nietig verklaren van een testament bij wilsonbekwaamheid?

Ik wil het medisch dossier opvragen van mijn vader/moeder omdat ik vermoed dat hij/zij medisch gezien niet in staat was een testament te maken.