Vernietiging van afgifte legaten wegens wilsonbekwaamheid van executeur. Verdeling van nalatenschap van vader kan pas na verdeling van ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2016
Datum publicatie
21-03-2016
Zaaknummer
C/17/141854 / HA ZA 15-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Erfrecht

Vernietiging van afgifte legaten wegens wilsonbekwaamheid van executeur.

Verdeling van nalatenschap van vader kan pas na verdeling van ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Geschil over schuld aan één van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Uitspraak
vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/141854 / HA ZA 15-153

Vonnis van 16 maart 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat: mr. W.S. Santema te Drachten,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. G.J. van Kammen te Leeuwarden,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het tussenvonnis van 30 september 2015


de brief van 13 november 2015 van mr. Santema met aanvullende producties


het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2015.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten
2.1.
Het geschil betreft de nalatenschap van de op [datum in] 1931 te [woonplaats] geboren, en op [datum in] 2012 in de gemeente [X] overleden heer [A] , hierna te noemen: erflater. Erflater was in gemeenschap van goederen gehuwd met de op [datum in] 1930 in de gemeente [Y] geboren, en op [datum in] 2015 overleden mevrouw [B] , hierna te noemen: [B] . Partijen zijn de kinderen van erflater en [B] .

2.2.
Partijen en [B] waren de gezamenlijke erfgenamen van erflater. Erflater heeft bij testament van 5 februari 1976 over zijn nalatenschap beschikt. Erflater heeft daarbij aan [B] een keuzelegaat vermaakt, alsmede een vruchtgebruiklegaat over zijn gehele nalatenschap. Tot slot is [B] benoemd tot executeur van zijn nalatenschap.

2.3.
Bij notariële akte van 16 juni 2004 heeft erflater, ter uitvoering van een mondelinge koopovereenkomst, een perceel grond aan en nabij de [straatnaam] te [woonplaats] geleverd aan [gedaagde 1] voor een koopsom van € 7.500,–. Hierop is een nieuwe loods gebouwd.

2.4.
Bij notariële akte van 17 juli 2009 hebben erflater en [B] , ter uitvoering van een op 29 april 2009 gesloten koopovereenkomst, de echtelijke woning met bestaande loods aan de [straatnaam] te [woonplaats] geleverd aan [gedaagde 1] (en zijn toenmalige partner mevrouw [C.] ) voor een koopsom van € 285.000,–. Blijkens een taxatierapport van Makelaardij Roos Noordoost-Friesland van 10 oktober 2008 is het verkochte per 30 september 2008 getaxeerd op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van € 310.000,–.

2.5.
Bij notariële akte van 16 augustus 2013, verleden door waarnemend kandidaat-notaris mr. D.A. de Haan-Wijma, is [B] in hoedanigheid van executeur overgegaan tot afgifte aan zichzelf van het keuzelegaat ter zake van alle bezittingen die erflater ten tijde van zijn overlijden samen met haar had, alsook van het legaat van vruchtgebruik.

2.6.
Tevens is [B] bij voornoemde akte overgegaan tot de boedelbeschrijving van de huwelijksgoederengemeenschap waarin begrepen de nalatenschap van erflater, waarin de navolgende schuld is opgenomen:

Schuld aan zoon [gedaagde 1] i.v.m. door en voor zijn rekening gedane investeringen in de woning/schuur van zijn ouders, conform bijlage ad € 54.718,04, te vermeerderen met € 7.500,– i.v.m. door en voor zijn rekening aangekochte grond voor zijn ouders, ofwel in totaal € 62.218,04.

2.7.
[B] is op 12 maart 2014 onder curatele gesteld. Daartoe is [B] op 14 oktober 2013 onderzocht door de heer drs. L. Postma, een aan Zorggroep Pasana De Sionsberg te Dokkum verbonden GZ-psycholoog. In een brief van 21 oktober 2013 (aan mevrouw drs. E.M. Hessels-Van der Leij, neuroloog bij De Sionsberg) heeft drs. Postma onder meer het volgende geschreven:

Bij mevr. [B] worden in dit onderzoek ernstige en uitgebreide cognitieve functiestoornissen aangetroffen. (…) Ze vertoont het beeld van een reeds gevorderde dementie.

2.8.
In een brief van 18 september 2014 heeft drs. Postma onder meer het volgende aan het kantoor van mr. Santema geschreven:

Zeer waarschijnlijk was er op 16 augustus 2013 ook al sprake van een gevorderd dementieel beeld. (…) Waarschijnlijk moet dit voor derden waarneembaar zijn geweest. (…) Het is niet waarschijnlijk, dat mevr. [B] de inhoud van de akte en de bijbehorende bijlagen heeft begrepen en de gevolgen daarvan heeft kunnen overzien.

3 De vordering
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. alle middels notariële akte van 16 augustus 2013 door [B] verrichte rechtshandelingen nietig verklaart dan wel vernietigt;

2. de verdeling van de nalatenschap van erflater beveelt, de wijze van verdeling in goede justitie vaststelt zoals hieronder weergegeven en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarbij veroordeelt te gehengen en te gedogen dat de nalatenschap wordt verdeeld op de wijze zoals door de rechter wordt vastgesteld;

3. de (wijze van) verdeling van de nalatenschap vaststelt als volgt:

a. de omvang en samenstelling van de nalatenschap van erflater ten tijde van zijn overlijden vast te stellen conform de boedelbeschrijving van 16 augustus 2013, met uitzondering van de gestelde schuld aan [gedaagde 1] ;

b. alle goederen van de nalatenschap toe te delen aan [gedaagde 1] , onder gehoudenheid aan [eiser 1] en [eiser 2] de overwaarde (wegens overbedeling) uit te keren conform artikel 3:185 lid 2 sub b BW aan [eiser 1] en [eiser 2] , ieder ad € 20.559,65;

c. [gedaagde 1] te verplichten de wettelijke rente te vergoeden over de aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomende bedragen vanaf datum dagvaarding dan wel vanaf de datum vonnis.

3.2.
[gedaagde 1] voert verweer, met conclusie dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [eiser 1] en [eiser 2] in hun eisen niet-ontvankelijk verklaart, althans deze te verwerpt en de verdeling vaststelt overeenkomstig de boedelbeschrijving zoals door de executeur is vastgesteld.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan
De geldigheid van de notariële akte van 16 augustus 2013
4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen – samengevat – aan het onder 1 gevorderde ten grondslag dat [B] wilsonbekwaam was, zodat de in de notariële akte van 16 augustus 2013 vervatte afgifte van legaten nietig dan wel vernietigbaar is. Hiertoe verwijzen [eiser 1] en [eiser 2] naar de twee brieven van drs. Postma (r.o. 2.7 en 2.8), waaruit volgens hen volgt dat er reeds op genoemde datum sprake was van een vergevorderde dementie waardoor [B] de inhoud van de akte en de bijbehorende bijlagen niet heeft kunnen overzien.

4.2.
[gedaagde 1] betwist dat er sprake was van dementie bij [B] . Volgens hem leveren de overgelegde brieven van drs. Postma geen bewijs daarvan. Dementie kan niet door een psycholoog worden vastgesteld en het onderzoek door drs. Postma heeft bovendien pas plaatsgevonden na de ondertekening van de notariële akte van 16 augustus 2013, zodat er geen conclusies over de toestand van [B] op een eerdere datum kunnen worden getrokken.

4.3.
De rechtbank stelt voorop dat [B] op 16 augustus 2013 nog handelingsbekwaam was nu de ondercuratelestelling dateert van 12 maart 2014, derhalve van na het passeren van de notariële akte waarin de legaten aan haar zijn afgegeven.

Gelet op de hiervoor onder 2.7 en 2.8 weergegeven brieven van drs. Postma in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] voldoende hun stelling hebben onderbouwd dat bij [B] sprake was van een vergaande dementie die tevens aanwezig was op het tijdstip van ondertekening van de notariële akte en die een zelfstandig optreden van [B] verhinderde. De enkele ontkenning door [gedaagde 1] van de bevindingen van drs. Postma acht de rechtbank onvoldoende. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat drs. Postma als psycholoog niet deskundig genoeg is om aan de hand van een door hemzelf uitgevoerd onderzoek dementie (en de ernst daarvan) vast te stellen. Voorts zijn er door [gedaagde 1] geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [B] , in weerwil van de bevindingen van drs. Postma, op het moment van het ondertekenen van de notariële akte wel wilsbekwaam was. Nu [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan de in het kader van het door hem gevoerde verweer op hem rustende stelplicht, komt daarmee vast te staan dat [B] de ondertekening van de notariële akte van 16 augustus 2013 heeft verricht onder invloed van een geestelijke stoornis. De rechtbank overweegt vervolgens dat het [gedaagde 1] , mede gezien de brief van 18 september 2014 van drs. Postma, duidelijk moet zijn geweest dat [B] in een zorgelijke psychische toestand verkeerde, temeer nu vaststaat dat [gedaagde 1] haar in de betreffende periode regelmatig zag en sprak. Dit alles leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep door [eiser 1] en [eiser 2] op een vernietigingsgrond ter zake van de door [B] ondertekende notariële akte, aanvaardt. Het onder 1 gevorderde zal dus worden toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank tot vernietiging zal overgaan omdat het hier gaat om meervoudige rechtshandelingen.

De verdeling van de nalatenschap van erflater

4.4.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen – samengevat – het volgende aan de onder 2 en 3 gevorderde verdeling ten grondslag. In de boedelbeschrijving van 16 augustus 2013 is ten onrechte een schuld van € 62.218,04 van erflater aan [gedaagde 1] opgenomen. Een schuldbekentenis ontbreekt en niet valt in te zien hoe de door [gedaagde 1] gestelde investeringen/verbeteringen tot een schuld van de ouders van partijen aan [gedaagde 1] zouden hebben kunnen leiden. Alleen [gedaagde 1] had profijt bij die investeringen/verbeteringen en bovendien mocht hij de oude loods bij de woning en de nieuwe loods op het naastgelegen perceel gebruiken zonder daarvoor enige vergoeding verschuldigd te zijn. De kosten die [gedaagde 1] gemaakt zou hebben zijn bovendien al verdisconteerd in een kwijtschelding bij de aankoop door [gedaagde 1] van de woning in 2009, die op een veel hogere waarde was getaxeerd dan de door hem betaalde koopprijs. Tot slot voeren [eiser 1] en [eiser 2] aan dat het bedrag van € 54.718,04 achteraf tot stand is gekomen aan de hand van een raming door een extern bouwbedrijf en niet op basis van de daadwerkelijk door [gedaagde 1] gemaakte kosten.

[eiser 1] en [eiser 2] vervolgen hun betoog met de stelling dat [gedaagde 1] in 2004 het naast de echtelijke woning gelegen perceel voor € 7.500,– gekocht heeft, zodat niet goed te begrijpen valt dat het betreffende bedrag in de boedelbeschrijving terugkomt als een schuld van de ouders van partijen aan [gedaagde 1] . [eiser 1] en [eiser 2] betwisten in dit verband de juistheid van het door [gedaagde 1] als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde overzicht; volgens hen is er geen sprake van dat [gedaagde 1] teveel aan de ouders van partijen betaald zou hebben.

Bij de verdeling van de nalatenschap van erflater dient volgens [eiser 1] en [eiser 2] voor het overige wel de boedelbeschrijving te worden aangehouden. De huwelijksgemeenschap bedraagt dus € 170.017,93. De helft daarvan vormde de nalatenschap van erflater, waarop de uitvaartkosten in mindering komen, zodat het saldo van de nalatenschap neerkomt op € 82.238,60. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat alle goederen van de nalatenschap van erflater aan [gedaagde 1] worden toebedeeld, onder gehoudenheid de overwaarde (wegens overbedeling) uit te keren aan [eiser 1] en [eiser 2] . Aan hen komt elk een bedrag toe van € 20.559,65 (zijnde 1/4e van € 82.238,60).

4.5.
[gedaagde 1] voert – samengevat – het volgende tot zijn verweer aan. Ter voorkoming van (verdere) discussie tussen de kinderen, heeft [B] kort na het overlijden van erflater er bewust ervoor gekozen om de schuld aan [gedaagde 1] op papier te zetten. Hiertoe heeft [B] aan [gedaagde 1] verzocht om een calculatie te laten maken van de kosten die hij gemaakt heeft ten behoeve van de verbouw van de oude loods bij de woning en de nieuwe loods op het naastgelegen perceel. Ook heeft [B] [gedaagde 1] tot haar enig erfgenaam benoemd en de andere kinderen onterfd.

De in de leveringsakte van 17 juli 2009 (r.o. 2.4) vermelde koopprijs is onjuist. In werkelijkheid bedroeg de koopprijs € 310.000,– en heeft [gedaagde 1] hiervan een gedeelte groot € 25.000,– in contanten aan de ouders van partijen voldaan. Van kwijtschelding is geen sprake geweest. [gedaagde 1] heeft de loods bij de woning geheel verbouwd en er zijn verbeteringen verricht voor een totaalbedrag van ongeveer € 54.000,–. Dat bedrag is door een expert vastgesteld. Het betrof een langjarig project, zodat er achteraf een taxatierapport is gemaakt van de uitgevoerde werkzaamheden.

Het naastgelegen perceel heeft [gedaagde 1] gekocht in 2004 voor een bedrag van € 27.226,81, waarbij hij de mogelijkheid kreeg om het verschuldigde in termijnen te voldoen. In de periode van 2002 tot en met 2010 heeft [gedaagde 1] in totaal € 27.226,81 in contanten aan erflater en/of [B] voldaan, waartoe hij verwijst naar het als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde overzicht. Achteraf is het [gedaagde 1] gebleken dat hij in 2004 al een bedrag van € 7.500,– via de bank had overgemaakt, zodat hij teveel aan de ouders van partijen heeft betaald. Zodoende is ook dat bedrag als schuld in de boedelbeschrijving opgenomen.

Voor wat betreft de (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflater is [gedaagde 1] ermee akkoord dat alle goederen aan hem worden toebedeeld, met dien verstande dat hij ter comparitie heeft verklaard dat het maar de vraag is of hij het gevorderde overbedelingsbedrag kan betalen.

4.6.
Partijen verschillen van mening over de samenstelling van de nalatenschap van erflater als het gaat om de vraag of de ouders van partijen een schuld van € 62.218,04 aan [gedaagde 1] hadden. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [gedaagde 1] baseert zijn stellingen kennelijk op een met [B] , na het overlijden van erflater, gemaakte afspraak. Uit de notariële akte van 16 augustus 2013 blijkt dat [B] , in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater, een boedelbeschrijving heeft opgesteld waarin de genoemde schuld is opgenomen. Aan deze schulderkenning kan [gedaagde 1] echter, gelet op het feit dat de in de notariële akte vervatte rechtshandelingen wegens wilsonbekwaamheid van [B] voor vernietiging vatbaar zijn, geen rechten meer ontlenen nu ook die rechtshandeling door de uitgesproken vernietiging wordt getroffen.

Voor zover [gedaagde 1] bedoeld heeft te stellen dat ook zonder die afspraak met [B] een vordering op de ouders van partijen zou zijn ontstaan omdat zij door het feit dat [gedaagde 1]
€ 54.718,04 aan eigen geld in de verbouwing heeft gestoken zouden zijn verrijkt, overweegt de rechtbank dat – aangenomen dat de ouders van partijen daardoor inderdaad zijn verrijkt – dit enkele feit geen grondslag voor een vordering van [gedaagde 1] jegens hen oplevert. In het bijzonder is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat het hier gaat om een ongerechtvaardigde verrijking. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser 1] en [eiser 2] onweersproken hebben aangevoerd dat alleen [gedaagde 1] profijt had bij de verbouwing en dat hij de beide loodsen om niet in gebruik had.

Voor zover [gedaagde 1] voorts bedoeld heeft te stellen dat een vordering op de ouders van partijen zou zijn ontstaan omdat [gedaagde 1] een bedrag van € 7.500,– onverschuldigd aan hen heeft betaald, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de leveringsakte van 16 juni 2004 (r.o. 2.3) blijkt niet dat, zoals [gedaagde 1] betoogt, de koopsom € 27.226,81 bedraagt. Hierin staat slechts een bedrag van € 7.500,– vermeld. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het onbegrijpelijk hoe het als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde overzicht op de betaling van de koopsom voor het perceel grond aan en nabij de [straatnaam] te [woonplaats] betrekking kan hebben. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het door [gedaagde 1] overgelegde overzicht uitgaat van betalingen vanaf 4 januari 2002, derhalve aanmerkelijk eerder dan het moment waarop de levering van het naastgelegen perceel heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat dan ook, wegens gebrek aan onderbouwing, aan het betoog van [gedaagde 1] voorbij.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de rechtbank bij de vaststelling van (de wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflater de litigieuze schuld € 62.218,04 aan [gedaagde 1] buiten beschouwing zal laten.

4.7.
Het onder 2 en 3 gevorderde heeft uitsluitend betrekking op de nalatenschap van erflater. De rechtbank overweegt dat allereerst de omvang en wijze van verdeling van de, ten gevolge van het overlijden van erflater, ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van erflater en [B] vastgesteld dient te worden. Pas daarna kan de omvang en wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater worden vastgesteld.

4.8.
De rechtbank stelt op grond van de bij de notariële akte van 16 augustus 2013 behorende boedelbeschrijving, die partijen voor het overige tot uitgangspunt wensen te nemen, vast dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de volgende elementen bevat:

Bezittingen

1. Inboedelgoederen € 5.000,00

2. Vorderingen op de ABN AMRO Bank, wegens inlagen op

a. vermogens spaarrekening nummer [1] ,

saldo 05/03/12 € 36.610,00

b. privérekening nummer [2] , saldo 05/03/12 € 511,59

c. groeigemak spaarrekening nummer [3] ,

saldo 05/03/12 € 405,29

3. Vordering op de Regiobank, wegens inlage op

bonus spaarrekening nummer [4] , saldo 05/03/12 € 8.011,05

4. Vordering:

geldlening aan zoon [gedaagde 1] , groot € 119.480,00

Totaal aan bezittingen € 170.017,93

Schulden € 0,00

4.9.
De rechtbank stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op de volgende wijze vast:

– aan erflater wordt toebedeeld:

– de onverdeelde helft van de inboedelgoederen (nr. 1);

– de helft van de banksaldi (nrs. 2a, 2b, 2c en 3);

– de onverdeelde helft van de vordering op [gedaagde 1] (nr. 4);

– aan [B] wordt toebedeeld:

– de onverdeelde helft van de inboedelgoederen (nr. 1);

– de helft van de banksaldi (nrs. 2a, 2b, 2c en 3);

– de onverdeelde helft van de vordering op [gedaagde 1] (nr. 4).

4.10.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de nalatenschap van erflater de volgende elementen bevat:

Bezittingen

– de onverdeelde helft van de inboedelgoederen € 2.500,00

– de helft van de banksaldi € 22.768,97

– de onverdeelde helft van de vordering op [gedaagde 1] € 59.740,00

Totaal aan bezittingen € 85.008,97

Schulden

– uitvaartkosten € 2.770,37

4.11.
De rechtbank stelt de verdeling van de nalatenschap van erflater op de volgende wijze vast:

– aan [gedaagde 1] wordt toebedeeld:

– de onverdeelde helft van de inboedelgoederen;

– de helft van de banksaldi;

– de onverdeelde helft van de vordering op [gedaagde 1] ;

– onder de verplichting voor [gedaagde 1] :

– om de uitvaartkosten als eigen schuld voor zijn rekening te nemen;

– om wegens overbedeling aan [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde 2] en (de erfgenamen van) [B] elk een bedrag van (1/5e deel van € 85.008,97 – € 2.770,37 = ) € 16.447,72 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.12.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze zaak, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

5 De beslissing
De rechtbank

5.1.
vernietigt alle middels notariële akte van 16 augustus 2013 door [B] verrichte rechtshandelingen;

5.2.
stelt de verdeling van de nalatenschap van erflater vast op de wijze zoals hiervoor onder in r.o. 4.11 is overwogen;

5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.
compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen de eigen kosten draagt;

5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2016.1